Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO2646

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-2010
Datum publicatie
02-11-2010
Zaaknummer
10-722 BESLU + 10-724 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heropening in verband met overschrijding redelijke termijn. Van het begin van de procedure op 14 september 1994 tot de uitspraak van de Raad op 21 januari 2010 zijn vijftien jaar en ruim vier maanden verstreken. Hierop dienen in mindering te worden gebracht de tien maanden durende overschrijding door de rechtbank in de procedure van 14 september 1994 tot 29 januari 1997, voor welke overschrijding de Staat een schadevergoeding heeft toegekend en de periode van 29 februari 2000 tot 11 juli 2007, waarop het besluit van 11 juli 2007 ziet; dan resteert ruim zeven jaar. De Raad ziet geen aanleiding in dit geval een langere behandelingsduur dan vier jaar redelijk te achten. De voor rekening van het Uwv komende resterende overschrijding van de redelijke termijn bedraagt derhalve ruim drie jaar. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 3.500,–.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/722 BESLU + 10/724 BESLU

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het verzoek om schadevergoeding van:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: betrokkene),

met als partijen:

betrokkene

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2008, 07/2116, in het geding tussen betrokkene en het Uwv.

Bij uitspraak van 21 januari 2010 (09/758 + 09/6244) heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder de in de aanhef van deze uitspraak genoemde nummers wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad naast het Uwv de Staat der Nederlanden (hierna: Staat) aangemerkt als partij in die procedure.

Betrokkene en de Staat zijn tot een schikking gekomen.

Het Uwv heeft in deze procedure een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Namens betrokkene heeft mr. B.F. Desloover, advocaat te Rotterdam, daarop schriftelijk gereageerd. Het Uwv heeft nog een nadere reactie ingezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 17 september 2010. Partijen zijn - met voorafgaand bericht - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreide weergave van de procedure verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 21 januari 2010. Hij volstaat hier met het volgende.

1.2. Bij besluit van 22 augustus 1994 is betrokkene een arbeidsongeschiktheidsuitkering geweigerd. Bij beroepschrift, door de rechtbank ontvangen op 14 september 1994, heeft betrokkene zich tegen dit besluit gekeerd. De rechtbank heeft het besluit op 29 januari 1997 vernietigd.

1.3. Bij besluit van 25 februari 2000 heeft het Uwv betrokkene opnieuw een arbeidsongeschiktheidsuitkering geweigerd. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft deze beslissing op bezwaar op 11 juni 2002 vernietigd.

1.4. Betrokkene heeft het Uwv verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn sedert het indienen van het bezwaar begin 2000.

1.5. Bij besluit van 11 juli 2007 heeft het Uwv zijn besluit van 25 februari 2000 opnieuw gehandhaafd. Voorts is aan betrokkene een schadevergoeding toegekend van € 4.500,–, onder de volgende overweging. “De behandeling van de onderhavige bezwaarprocedure is aangevangen op 29 februari 2000 (…) en heeft geduurd tot de afgifte van de onderhavige beslissing. (…) Na aftrek van de procedure bij de rechtbank bedraagt de procedure 6 jaar en 3 maanden. De hoogte van de vergoeding bedraagt € 60,– per maand dat de procedure heeft geduurd. Dit betekent dat wij u een bedrag van € 4.500,– aan immateriële schadevergoeding zullen vergoeden.”

1.6. Betrokkene is in beroep gekomen tegen de wederom gehandhaafde weigering hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen. De rechtbank heeft dit beroep tegen het besluit van 11 juli 2007 ongegrond verklaard. Betrokkene is daartegen in hoger beroep gekomen.

1.7. Op 16 november 2009 heeft het Uwv de Raad een nieuwe beslissing op bezwaar doen toekomen. Daarbij is het besluit van 25 februari 2000 na nader onderzoek wederom gehandhaafd. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van betrokkene verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Bij zijn uitspraak van 21 januari 2010 heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 16 november 2009 ongegrond verklaard. Voorts is, zoals onder I vermeld, het onderzoek heropend ter vaststelling van de schadevergoeding.

2. Betrokkene en de Staat zijn tot een schikking gekomen ter zake van de overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank in de procedure van 14 september 1994 tot 29 januari 1997.

3.1. Het Uwv heeft er in zijn schriftelijke uiteenzetting op gewezen dat het hier een procedure in drie instanties betreft - bezwaar, beroep en hoger beroep - en dat de redelijke termijn voor deze procedure als geheel niet is overschreden als deze minder dan vier jaren heeft geduurd. Voorts is opgemerkt dat aan betrokkene ter zake van de procedure vanaf het maken van bezwaar op 1 maart 2000 tot het besluit van 11 juli 2007 een schadevergoeding van € 4.500,– is toegekend, welke schadevergoeding door betrokkene onvoorwaardelijk is geaccepteerd. Ten slotte heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat van 11 juli 2007 tot de uitspraak van de Raad van 21 januari 2010 minder dan vier jaren zijn verstreken, zodat voor vergoeding wegens een verdergaande vertraging geen grond bestaat.

3.2. De gemachtigde van betrokkene heeft er in zijn reactie op gewezen dat het Uwv eraan voorbij ziet dat de procedure is aangevangen op 14 september 1994 en dat betrokkene de door het Uwv toegekende schadevergoeding van € 4.500,– niet onvoorwaardelijk heeft geaccepteerd, zoals het Uwv stelt.

4. Voor zijn beoordeling neemt de Raad de volgende uitgangspunten.

4.1. Zoals de Raad reeds in zijn uitspraak van 21 januari 2010 heeft vastgesteld, heeft de onderhavige procedure een aanvang genomen op 14 september 1994.

4.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties als de onderhavige in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren (CRvB 26 januari 2009, LJN BH1009). Voorts is van belang dat in een geval waarin een vernietiging door de rechtbank van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een herhaalde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee de behandelingsduur is overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar voor rekening van de Staat (CRvB 15 april 2009, LJN BI2044).

4.3. In zijn besluit van 11 juli 2007 heeft het Uwv aan betrokkene een schadevergoeding van € 4.500,– toegekend. Daarmee is gereageerd op het verzoek van betrokkene om schadevergoeding in verband met de duur van de procedure vanaf de indiening van het bezwaarschrift op 29 februari 2000. De schadevergoeding is toegekend voor de periode vanaf 29 februari 2000 tot de datum van het besluit van 11 juli 2007. Het besluit heeft uitsluitend betrekking op deze periode en omvat geen afwijzing van schadevergoeding over eerdere tijdvakken.

4.4. Namens betrokkene is geen beroep ingesteld tegen de onder 4.3 genoemde schadevergoeding. Dit besluit is in zoverre derhalve rechtens onaantastbaar geworden. Voor een hogere schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de aldaar genoemde periode bestaat derhalve geen ruimte.

5. De Raad komt op grond van deze uitgangspunten tot de volgende beoordeling.

5.1. Van het begin van de procedure op 14 september 1994 tot de uitspraak van de Raad op 21 januari 2010 zijn vijftien jaar en ruim vier maanden verstreken. Hierop dienen in mindering te worden gebracht de tien maanden durende overschrijding door de rechtbank in de procedure van 14 september 1994 tot 29 januari 1997, voor welke overschrijding de Staat een schadevergoeding heeft toegekend en de periode van 29 februari 2000 tot 11 juli 2007, waarop het besluit van 11 juli 2007 ziet; dan resteert ruim zeven jaar. De Raad ziet geen aanleiding in dit geval een langere behandelingsduur dan vier jaar redelijk te achten. De voor rekening van het Uwv komende resterende overschrijding van de redelijke termijn bedraagt derhalve ruim drie jaar. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 3.500,–.

5.2. Gelet op het voorgaande ziet de Raad aanleiding het Uwv te veroordelen tot vergoeding van immateriële schadevergoeding aan betrokkene ten bedrage van € 3.500,–.

6. De Raad ziet ten slotte aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in deze schadeprocedure tot een bedrag van € 322,–.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Veroordeelt het Uwv tot betaling aan betrokkene van een schadevergoeding ten bedrage van € 3.500,–;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,–.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2010.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M. Mostert.

KR