Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO2645

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2010
Datum publicatie
02-11-2010
Zaaknummer
08-4521 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boete opgelegd van 25% van de ambtshalve vastgestelde premie wegens het niet tijdig indienen van de jaaropgave over het jaar 2004. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat de overtreding te wijten is aan opzet of grove schuld, nu betrokkene na twee herinneringsbrieven de jaaropgaven niet heeft ingezonden. De rechtbank heeft het besluit vernietigd. De rechtbank heeft een onjuiste uitleg en toepassing gegeven aan de IWfsv (LJN BL1640). Op grond van artikel 42, tweede lid, van de IWfsv blijft voor het in geding zijnde besluit tot het opleggen van een boete over 2004 het recht zoals dat vóór 1 januari 2006 gold van toepassing, met inbegrip van de Awb en de Beroepswet. Dit brengt mee dat het besluit door appellant bevoegd is genomen en dat de rechtbank en de Raad bevoegd zijn te beslissen op het (hoger) beroep tegen het op bezwaar genomen besluit. Vast staat dat betrokkene niet tijdig heeft voldaan aan de voor haar op grond van artikel 10, tweede lid, van de CSV geldende verplichting tot het doen van loonopgave. Hieruit vloeit voort dat appellant op grond van artikel 12 van de CSV gehouden was betrokkene een boete op te leggen. Ten onrechte is de boete gebaseerd op de kwalificatie opzet of grove schuld. De boete bij het niet tijdig indienen van de jaaropgave bedraagt in het geval van een verzuim en een eerste overtreding 5% van de verschuldigde premie. De aan betrokkene opgelegde boete is aan te merken als straf in de zin van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). In artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het IVBPR is bepaald dat, indien na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan dient te profiteren. Er valt geen verandering van wetgeving aan te wijzen die voorziet in een lichtere straf, zoals in artikel 15, eerste lid, van het IVBPR bedoeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/4521 CSV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 juli 2008, 06/4754 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 27 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van der Stoop, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 22 november 2005 heeft appellant op grond van artikel 12 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) aan betrokkene wegens het niet tijdig indienen van de jaaropgave over het jaar 2004 een boete opgelegd van 25% van de ambtshalve vastgestelde premie ad € 8.091,-- is € 2.022,75. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat de overtreding te wijten is aan opzet of grove schuld, nu betrokkene na twee herinneringsbrieven de jaaropgaven niet heeft ingezonden. Er is sprake van een eerste overtreding.

1.2. Bij besluit van 3 april 2006 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 22 november 2005 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling over de vergoeding van griffierecht - het beroep tegen het besluit van 3 april 2006 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit waarbij de boete is opgelegd herroepen. De rechtbank was van oordeel dat artikel 45 van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen (IWfsv) geen grond biedt voor de bevoegdheid van het Uwv om op het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 22 november 2005 te beslissen. Voorts overwoog de rechtbank dat voor de boete het verdragsrechtelijk uitgangspunt geldt dat de overtreder dient te profiteren van een na het begaan van het strafbare feit in de wet voorziene oplegging van een lichtere straf. Dat is naar het oordeel van de rechtbank aan de orde, aangezien de na 1 januari 2006 geldende wet- en regelgeving geen bepaling(en) bevat die naar inhoud en strekking overeenkomen met artikel 12 van de CSV en de daarop gebaseerde regelingen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 21 januari 2010, LJN BL1640, oordeelt de Raad overeenkomstig de daarin opgenomen overwegingen dat de rechtbank een onjuiste uitleg en toepassing heeft gegeven aan de IWfsv. Op grond van artikel 42, tweede lid, van de IWfsv blijft voor het in geding zijnde besluit tot het opleggen van een boete over 2004 het recht zoals dat vóór 1 januari 2006 gold van toepassing, met inbegrip van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Beroepswet. Dit brengt mee dat het besluit op bezwaar van 3 april 2006, evenals het primaire besluit van 22 november 2005, door appellant bevoegd zijn genomen en dat de rechtbank en de Raad bevoegd zijn te beslissen op het (hoger) beroep tegen het op bezwaar genomen besluit.

4.2. Nu de rechtbank dit niet heeft onderkend, kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. De Raad zal met vernietiging van die uitspraak en doende wat de rechtbank zou behoren te doen, een inhoudelijk oordeel geven over het besluit op bezwaar van 3 april 2006.

4.2.1. Op grond van het op artikel 10, tweede lid, van de CSV gebaseerde artikel 12, eerste lid, van het Loonadministratie - besluit is de werkgever verplicht de jaaropgavekaarten in te leveren in de maand januari van het kalenderjaar, volgende op dat, waarvoor zij gelden. Reeds nu betrokkene in de bezwaarprocedure heeft aangevoerd dat de jaaropgave over het jaar 2004 door haar in maart 2005 is ingezonden, staat vast dat betrokkene niet tijdig heeft voldaan aan de voor haar op grond van artikel 10, tweede lid, van de CSV geldende verplichting tot het doen van loonopgave. Hieruit vloeit voort dat appellant op grond van artikel 12 van de CSV gehouden was betrokkene een boete op te leggen.

4.2.2. Het aan het besluit van 3 april 2006 ten grondslag liggende standpunt dat de overtreding te wijten is aan opzet of grove schuld, heeft appellant reeds in de beroepsprocedure bij de rechtbank verlaten. Appellant heeft echter verzuimd hierover een besluit te nemen. Nu de bij besluit van 3 april 2006 gehandhaafde boete is gebaseerd op de kwalificatie opzet of grove schuld, kan dit besluit niet in stand blijven.

4.2.3. De Raad stelt op grond van artikel 15 van het Besluit toepassing bestuurlijke boeten Coördinatiewet Sociale Verzekering 2002 vast dat de boete bij het niet tijdig indienen van de jaaropgave in het geval van een verzuim en een eerste overtreding 5% van de verschuldigde premie bedraagt.

4.3. Naar aanleiding van hetgeen de rechtbank in dit verband heeft geoordeeld, overweegt de Raad nog dat de aan betrokkene opgelegde boete is aan te merken als straf in de zin van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

In artikel 15, eerste lid, derde volzin, van het IVBPR is bepaald dat, indien na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan dient te profiteren.

4.3.1. De reeds onder 4.1 genoemde wetswijziging per 1 januari 2006 komt er in het kort op neer dat voor de premiejaren tot en met 2005 zoals hier aan de orde de regels van de CSV blijven gelden en dat voor de premiejaren vanaf 2006 de regels van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) van toepassing zijn. De CSV en de AWR kennen ieder een eigen stelsel van administratieve verplichtingen en specifiek daarop afgestemde bestuurlijke sancties. Onderling verschillen deze stelsels aanzienlijk. Voor zover een rechtens gefundeerde vergelijking van beide stelsels mogelijk is, valt naar het oordeel van de Raad geen verandering van wetgeving aan te wijzen die voorziet in een lichtere straf, zoals in artikel 15, eerste lid, van het IVBPR bedoeld.

5. De Raad ziet in het vorenstaande aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en de boete vast te stellen op 5% ofwel € 404,55.

6. De Raad ziet geen aanleiding om appellant te veroordelen in proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is beslist omtrent griffierecht;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 3 april 2006;

Bepaalt dat de boete wordt vastgesteld op € 404,55.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en H.C. Cusell als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2010.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.L.G. Boot.

BvW