Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO2450

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-2010
Datum publicatie
02-11-2010
Zaaknummer
10-1013 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WGA-uitkering. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de door haar ingeschakelde deskundige gevolgd en de medische grondslag van het bestreden besluit bevestigd. Wat betreft de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank overwogen dat deze in beroep aanzienlijk is gewijzigd. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen in stand gelaten. De rechtbank heeft op goede gronden het rapport van de door haar ingeschakelde deskundige gevolgd. De geschiktheid van de geduide functies is voldoende toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1013 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 januari 2010, 08/1294 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door

mr. De Leest. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Snatager.

II. OVERWEGINGEN

1. Op 25 oktober 2005 is appellante in verband met psychische klachten uitgevallen voor haar werkzaamheden als basisdocent Nederlands voor circa 21 uur per week. In verband met een beoordeling van de arbeidsongeschiktheid heeft psychiater J. Groenendijk op verzoek van verzekeringsarts E.M. Wielaard een expertise verricht en haar bevindingen neergelegd in een rapport van 18 september 2007. Vervolgens zijn de beperkingen van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 20 september 2007. Aansluitend heeft arbeidsdeskundige D.J. de Valk functies geselecteerd, die voor appellante geschikt zijn. Op grond van een vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste loonwaarde met het voor appellante geldende maatmaninkomen is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 44%. Bij besluit van 19 oktober 2007 heeft het Uwv appellante op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) na afloop van de wettelijke wachtperiode met ingang van 23 oktober 2007 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde uitkering op grond van de regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA).

2. In bezwaar heeft appellante aangevoerd om medische redenen niet in staat te zijn om te werken. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij informatie van behandelend psychotherapeute M.J.G. Sanders van 8 januari 2008 alsmede een bericht van bedrijfsarts J.W. Peeters d.d. 18 december 2007 in geding gebracht. Bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans heeft het oordeel van de verzekeringsarts bevestigd waarna het bezwaar bij besluit van 31 maart 2008 (verder: bestreden besluit) ongegrond is verklaard.

3. In beroep heeft appellante aangevoerd dat bij het vaststellen van de belastbaarheid onvoldoende rekening is gehouden met haar problematische thuissituatie. Voorts heeft zij een op haar verzoek uitgebracht psychiatrisch expertiserapport van

5 maart 2009 in geding gebracht van psycholoog G. Leigh-Valles en psychiater H. van der Veen, die kort gezegd tot de conclusie zijn gekomen dat appellante als verdergaand beperkt moet worden beschouwd. Bezwaarverzekeringsarts

B.C. Bockwinkel heeft hier op 16 maart 2009 op gereageerd en geconcludeerd dat er geen reden is om de beperkingen van appellante anders te beoordelen voor zover het gaat om de in geding zijnde datum. De rechtbank heeft vervolgens zelf een onafhankelijk deskundige ingeschakeld, psychiater J.W.G. Meissner, die in zijn rapport van 9 juli 2009 de beperkingen zoals vastgelegd in de FML heeft onderschreven.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de door haar ingeschakelde deskundige gevolgd en de medische grondslag van het bestreden besluit bevestigd. Wat betreft de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank overwogen dat deze in beroep aanzienlijk is gewijzigd. Appellante is uiteindelijk geschikt bevonden voor de functie van bode bezorger met sbc-code 315140, de functie van produktiemedewerker industrie met sbc-code 111180 en de functie van boekhouder met sbc-code 315040. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. Aangezien bezwaararbeidsdeskundige J.C.M. Horeman de voorgehouden functies in zijn rapport van

11 maart 2009 van een naar het oordeel van de rechtbank toereikende arbeidskundige motivering heeft voorzien, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand gelaten.

5. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft gehecht aan het rapport van dr. Meissner. Appellante heeft op 5 juli 2010 een rapport van haar behandelend psychotherapeut

W.A. de Jong ingediend. Bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel heeft op 15 juli 2010 op het rapport gereageerd.

6.1. De Raad oordeelt als volgt.

6.2. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de rechtbank op goede gronden het rapport van de door haar ingeschakelde deskundige, dr. Meissner, heeft gevolgd. De Raad overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Raad het oordeel van een onafhankelijk door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige wordt gevolgd, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden om van dat uitgangspunt af te wijken. Daarvan is de Raad in onderhavige situatie niet gebleken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het door de onafhankelijke en onpartijdige deskundige Meissner verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is geweest. Meissner heeft kennis genomen van de in het dossier voorhanden zijnde informatie en gemotiveerd op grond waarvan hij het oordeel van de door het Uwv ingeschakelde deskundige Groenendijk kon onderschrijven. De Raad ziet in de beschikbare informatie geen aanleiding tot een andersluidend oordeel. De namens appellante in hoger beroep ingebrachte rapportage van dr. De Jong, die van mening is dat sprake is van verdergaande beperkingen, maakt dit niet anders aangezien appellante pas vanaf juni 2010 - en daarmee geruime tijd na de datum in geding - bij deze therapeut onder behandeling is gekomen. De Raad heeft in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten gevonden om de beoordeling van het Uwv, zoals neergelegd in de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv niet te volgen. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet opnieuw een deskundige te raadplegen.

6.3. Met de rechtbank acht de Raad de geschiktheid van de geduide functies in medisch opzicht met de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapporten voldoende toegelicht.

6.4. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2010.

(get.) R.C. Stam.

(get.) D.E.P.M. Bary.

IvR