Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO2072

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2010
Datum publicatie
29-10-2010
Zaaknummer
09-4456 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omdat betrokkene inmiddels over een verblijfsvergunning beschikt wordt haar bijstand toegekend met ingang van de datum van de (tweede) aanvraag (= 29 maart 2007). Bij dat besluit is de aanvraag om bijstand over de periode van 4 augustus 2006 tot en met 28 maart 2007 afgewezen. De Raad maakt onderscheid tussen de periode waarover eerder het recht op bijstand is beoordeeld én de periode waarover nog geen besluitvorming is genomen. De periode van 4 augustus 2006 tot en met 25 oktober 2006: De beschikking van de Staatssecretaris is een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb, maar betrokkene is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van een reële schuld met een daaraan verbonden concrete aflossingsverplichting aan de Stichting die haar heeft opgevangen. De periode van 26 oktober 2006 tot en met 28 maart 2007: Dat aan betrokkene met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning is verleend, kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010/251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4456 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 23 juni 2009, 08/586 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

het College

Datum uitspraak: 26 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Het College heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2010. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.L.J. Martens, werkzaam bij de gemeente Eindhoven. Voor betrokkene is verschenen mr. I.H.M. Hest, advocaat te Eindhoven.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij heeft in 2006 haar echtgenoot verlaten en haar intrek genomen in het Ritahuis in Eindhoven. Dit is een opvanghuis voor vrouwen, beheerd door de [naam stichting] (hierna: Stichting) en gesubsidieerd door het College.

1.2. Vervolgens heeft betrokkene het College op 4 september 2006 verzocht haar met ingang van 4 augustus 2006 voor algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) in aanmerking te brengen. Het College heeft deze aanvraag bij besluit van 25 oktober 2006 afgewezen op de grond dat betrokkene niet beschikt over een geldige verblijfstitel. Betrokkene heeft geen rechtsmiddel tegen dit besluit aangewend.

1.3. Op 29 maart 2007 heeft betrokkene zich wederom tot het College gewend met het verzoek haar met ingang van 4 augustus 2006 bijstand te verlenen. In het kader van deze aanvraag heeft betrokkene een beschikking van de Staatssecretaris van Justitie (hierna: Staatssecretaris) van 11 april 2007 overgelegd, waarbij haar beroep tegen de afgewezen aanvraag om verlenging van haar verblijfsvergunning gegrond is verklaard. Daarbij heeft de Staatssecretaris betrokkene alsnog met ingang van 16 december 2005, voor de duur van vijf jaar, een verblijfsvergunning verleend.

1.4. Bij besluit van 8 mei 2007 heeft het College betrokkene bijstand toegekend met ingang van 29 maart 2007. Bij dat besluit is de aanvraag om bijstand over de periode van 4 augustus 2006 tot en met 29 maart 2007 (lees: 28 maart 2007) afgewezen.

1.5. Het bezwaar tegen het besluit van 8 mei 2007 is, voor zover hier van belang, bij besluit van 29 januari 2008 ongegrond verklaard voor wat betreft de ingangsdatum van de bijstandsverlening. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat niet is gebleken dat betrokkene in de periode van 4 augustus 2006 tot en met 28 maart 2007 niet in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft kunnen voorzien.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 januari 2008 - met bepalingen over proceskosten en griffierecht - gegrond verklaard. Daarbij is het besluit van 29 januari 2008 vernietigd en is het College opgedragen opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 8 mei 2007 te beslissen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat in beginsel geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop een bijstandsaanvraag is ingediend. Het gegeven dat betrokkene op 4 september 2006 reeds bijstand had aangevraagd, vormt voor de rechtbank een omstandigheid op grond waarvan het College het recht op bijstand over de periode van 4 september 2006 tot 29 maart 2007 had moeten beoordelen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het College ten onrechte heeft geweigerd betrokkene met terugwerkende kracht tot 4 september 2006 bijstand te verlenen. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene rechtmatig in Nederland verbleef en niet in staat kan worden geacht in de noodzakelijke kosten van het bestaan te hebben voorzien.

3. Het College heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In geschil is de vraag of het College terecht heeft geweigerd betrokkene naar aanleiding van de op 29 maart 2007 ingediende aanvraag bijstand te verlenen over de periode van 4 augustus 2006 tot en met 28 maart 2007.

4.2. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 23 maart 2010, LJN BM0861, ziet de Raad aanleiding om bij de beantwoording van deze vraag een onderscheid te maken in een tweetal periodes.

4.2.1. De eerste periode heeft betrekking op de beoordeelde periode in het kader van de op 4 september 2006 ingediende aanvraag. Volgens vaste rechtspraak strekt de door de bestuursrechter te beoordelen periode bij een afwijzing van een aanvraag om bijstand zich uit tot de periode vanaf de aanvraagdatum tot en met de datum waarop de aanvraag is afgewezen. Dit betekent dat met het rechtens onaantastbare besluit van 25 oktober 2006 het recht op bijstand van betrokkene over de periode van 4 augustus 2006 tot en met 25 oktober 2006 is beoordeeld. In een dergelijk geval ligt het op de weg van de aanvrager om nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan te voeren op grond waarvan er voor het bestuursorgaan aanleiding moet zijn van zijn eerdere besluitvorming terug te komen.

4.2.2. De tweede periode betreft de periode van 26 oktober 2006 tot en met 28 maart 2007. Over deze periode heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden. Nu die periode ligt vóór de datum van melding/aanvraag op 29 maart 2007, wordt volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van artikel 43 en 44 van de WWB over deze periode in beginsel geen bijstand verleend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat bijstand met terugwerkende kracht wordt verleend.

4.3. De Raad stelt vast dat de rechtbank hetgeen hiervoor onder 4.2.1 en 4.2.2 is overwogen niet heeft onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, behoudens de door de rechtbank gegeven bepalingen over proceskosten en griffierecht, dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 29 januari 2008 wegens een onjuist toegepast toetsingskader vernietigen.

4.4. Met betrekking tot de vervolgens voorliggende vraag of er aanleiding is met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 29 januari 2008 in stand te laten, overweegt de Raad als volgt.

De periode van 4 augustus 2006 tot en met 25 oktober 2006

4.4.1. Tussen partijen is niet in geschil, en de Raad ziet geen aanleiding daar anders over te denken, dat de beschikking van de Staatsecretaris van 11 april 2007 is aan te merken als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

4.4.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraken van 2 september 2004, LJN AR1873, en 16 april 2002, LJN AE3716, is het College bij gebleken nieuwe feiten of veranderde omstandigheden slechts dan gehouden om terug te komen van een in rechte onaantastbaar besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand, indien en voor zover de aanvrager aannemelijk maakt dat destijds niet is voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Indien anderen feitelijk hebben voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan van de aanvrager, moet deze aannemelijk maken dat hij om die reden en in die periode een reële schuld met daadwerkelijke, concrete aflossingsverplichtingen ten opzichte van die anderen is aangegaan.

4.4.3. Vaststaat dat betrokkene ten tijde hier van belang verbleef in het Ritahuis en dat zij daar kost en inwoning ontving. Desondanks heeft betrokkene aangevoerd dat niet was voorzien in haar noodzakelijke bestaanskosten gelet op de aan de Stichting voor de opvang verschuldigde eigen bijdrage. Ter onderbouwing van haar standpunt dat sprake is van een reële schuld met een concrete aflossingsverplichting, heeft betrokkene een aantal stukken met betrekking tot haar schuld bij de Stichting overgelegd. Uit deze stukken leidt de Raad af dat betrokkene de Stichting vanaf haar opname heeft gemachtigd haar inkomen te innen ter voldoening van de voor haar gemaakte kosten. Deze kosten zijn vermeld op de zogenoemde crediteurenkaart die ten laste van betrokkene door de Stichting is opgemaakt. Bij brief van 13 juni 2007 en bij nota van 9 juli 2007 is betrokkene op de hoogte gebracht van haar bij de Stichting openstaande schulden. Een deel van deze schuld bestaat uit de hier van belang zijnde verschuldigde eigen bijdrage, variërend van een bedrag van € 322,75 over de maand augustus 2006 tot een bedrag van € 346,57 over de maand februari 2007. Bij de nota van 9 juli 2007 is betrokkene tevens verzocht tot betaling over te gaan. Tot slot is een afschrift van een bankafschrift van betrokkene overgelegd waaruit is af te leiden dat over de periode van 14 november 2008 tot en met 10 mei 2010 bedragen ter aflossing aan de Stichting zijn overgemaakt, met daarbij de vermelding “aflossing schulden”.

4.4.4. De Raad is met het College van oordeel dat betrokkene er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van een reële schuld met een daaraan verbonden concrete aflossingsverplichting. Daarbij overweegt de Raad dat betrokkene geen schuldbekentenis heeft getekend of een schuldovereenkomst met de Stichting is aangegaan. Voorts heeft betrokkene bij de op 29 maart 2007 ingediende aanvraag om bijstand op het aanvraagformulier weliswaar vermeld dat zij woonkosten verschuldigd is, maar vervolgens is de vraag of betrokkene schulden heeft ontkennend beantwoord. Weliswaar heeft de Stichting betrokkene een eigen bijdrage in rekening gebracht, en betaalt betrokkene aflossingsbedragen aan de Stichting, maar dit kan, nog daargelaten de vraag of deze bedragen betrekking hebben op de verschuldigde eigen bijdrage over de periode hier van belang, niet tot het oordeel leiden dat er sprake is van een reële schuld.

4.4.5. Voorts hecht de Raad in dit kader betekenis aan het gegeven dat op grond van de door de gemeente Eindhoven op 18 juni 2001 vastgestelde Verordening eigen bijdrage maatschappelijke en vrouwenopvang, de verschuldigde eigen bijdrage voor de kosten van opvang, zoals door het Ritahuis wordt geboden, inkomensafhankelijk is en dat bewoonsters die bijstand ontvangen naar de norm voor verblijf in een inrichting geen eigen bijdrage verschuldigd zijn. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 23 maart 2010, LJN BL9475, leidt de Raad uit deze Verordening af dat ook niet is bedoeld een eigen bijdrage te verlangen van bewoonsters zonder eigen inkomen, zoals betrokkene ten tijde hier van belang.

4.4.6. Hetgeen onder 4.4.1 tot en met 4.4.5 is overwogen, leidt de Raad tot de conclusie dat het College in redelijkheid heeft kunnen weigeren om terug te komen van het besluit van 25 oktober 2006.

De periode van 26 oktober 2006 tot en met 28 maart 2007

4.4.7. Met betrekking tot deze periode dient de vraag te worden beantwoord of betrokkene bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die het College ertoe had moeten brengen bijstand met terugwerkende kracht te verlenen. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend. Dat aan betrokkene met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning is verleend, kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid. Dat betrokkene in deze periode voor haar kosten van levensonderhoud schulden heeft gemaakt, zoals zij heeft aangevoerd, kan, gelet op hetgeen onder 4.1.1 tot en met 4.4.5 is overwogen, evenmin leiden tot het oordeel dat een afwijking van de onder 4.2.2 vermelde hoofdregel is gerechtvaardigd.

4.5. Op grond van de overwegingen onder 4.4.1 tot en met 4.4.7 komt de Raad tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 29 januari 2008 in stand gelaten kunnen worden.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, met uitzondering van de bepalingen over proceskosten en griffierecht;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 29 januari 2008;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 29 januari 2008 in stand blijven.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en E.J.M. Heijs en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.M. van Gorkum.

RB