Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO2069

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2010
Datum publicatie
29-10-2010
Zaaknummer
08-6564 WWB + 08-6565 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede-)terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Afwijzing verzoek om aanhouding van de zaken.

De Raad kent zwaarwegende betekenis toe aan hetgeen appellanten tegenover de sociale recherche hebben verklaard. Hoofdverblijf. Wederzijdse zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2010/390
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6564 WWB

08/6565 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), en [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Assen van 14 oktober 2008, 07/810 en 07/811 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) van de gemeenten Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 26 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. G.B. de Jong, advocaat te Hoogezand, hoger beroepen ingesteld en nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het Dagelijks Bestuur heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2010. Appellanten zijn niet verschenen. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Buutkamp, werkzaam bij de ISD.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, woonachtig op het adres [adres 1] te [woonplaats], ontving over de periodes van 5 oktober 2004 tot 14 juni 2006 en van 26 augustus 2006 tot 1 maart 2007 een uitkering ingevolgde de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellante stond vanaf 28 januari 2005 ingeschreven op het adres [adres 2] te [woonplaats].

1.2. Bij de ISD is het vermoeden ontstaan dat appellant op zijn adres samenwoont met appellante. Naar aanleiding daarvan heeft de Unit Handhaving, controle en sociale recherche regio Assen (hierna: sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn inlichtingen ingewonnen bij derden, en zijn appellanten verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 15 februari 2007 en in processen-verbaal van 8 februari 2007.

1.3. Op basis van de resultaten van dit onderzoek heeft het Dagelijks Bestuur bij besluit van 23 april 2007 de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2005 tot en met 28 februari 2007 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 22.162,41. Bij dat besluit is dit bedrag mede teruggevorderd van appellante.

1.4. Bij besluit van 30 juli 2007, voor zover in deze gedingen van belang, heeft het Dagelijks Bestuur de bezwaren van appellanten tegen het besluit van 23 april 2007 gegrond verklaard in die zin, dat de ingangsdatum van de periode waarover wordt ingetrokken en (mede)teruggevorderd wordt gesteld op 28 januari 2005. Als gevolg daarvan is het bedrag van de terugvordering verlaagd tot een bedrag van € 21.264,12.

1.5. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten gedurende de periodes van 28 januari 2005 tot 14 juni 2006 en van 26 augustus 2006 tot 1 maart 2007 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, dat appellant daarvan aan het Dagelijks Bestuur geen mededeling heeft gedaan, en dat een eventueel recht op bijstand naar de norm voor gehuwden niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen het besluit van 30 juli 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor het in deze gedingen van belang zijnde wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraken.

4.1. De Raad zal eerst ingaan op het verzoek om aanhouding van de zaken. In de middag van 13 september 2010 heeft mr. De Jong per fax gevraagd om uitstel van de mondelinge behandeling van de hoger beroepen omdat appellanten hem hebben bericht dat zij ziek zijn. Mr. De Jong heeft dat verzoek niet tevens kenbaar gemaakt aan het Dagelijks Bestuur. De Raad heeft op die datum niet op dat verzoek gereageerd. Mr. De Jong heeft over het verzoek geen contact meer opgenomen met de (griffie van de) Raad en is op 14 september 2010 niet op de zitting verschenen. Ter zitting van de Raad heeft de vertegenwoordigster van het Dagelijks Bestuur zich verzet tegen inwilliging van het verzoek om aanhouding. Gelet daarop en voorts in aanmerking genomen het zeer late tijdstip van het verzoek om aanhouding van de zaken, en nu uit de fax van 13 september 2010 niet blijkt dat mr. De Jong zelf niet ter zitting kon verschijnen, heeft de Raad besloten het verzoek af te wijzen.

4.2. De Raad is van oordeel dat er een toereikende grondslag is voor het standpunt van het Dagelijks Bestuur dat appellant, anders dan hij aan het Dagelijks Bestuur heeft opgegeven, gedurende de hier aan de orde zijnde tijdvakken een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellante.

4.2.1. Met betrekking tot het eerste criterium voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding, het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning, overweegt de Raad het volgende. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellanten niet langer betwisten dat vanaf 26 augustus 2006 sprake is van samenwoning. Bij de beantwoording van de vraag of appellanten ook in de periode van 28 januari 2005 tot 14 juni 2006 hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, kent de Raad evenals de rechtbank en het Dagelijks Bestuur zwaarwegende betekenis toe aan hetgeen appellanten tegenover de sociale recherche hebben verklaard. Uit het proces-verbaal van zijn verhoor blijkt dat appellant heeft verklaard dat appellante staat ingeschreven op het adres van haar broer, [adres 2] te [woonplaats], dat dit op papier zo is maar dat zij feitelijk bij hem woont vanaf het moment waarop zij in de GBA op het adres van haar broer staat ingeschreven. Appellant heeft aangevoerd dat hij niet aan zijn verklaring mag worden gehouden. Evenals de rechtbank volgt de Raad dat standpunt niet. De Raad verenigt zich op dit punt met de overwegingen van de rechtbank. De Raad voegt daaraan toe dat de verklaring van appellant wordt ondersteund door de verklaring van appellante. Appellante heeft verklaard dat zij elke dag op het adres van appellant was en dat zij in de weekenden en enkele keren doordeweeks wel bij hem bleef slapen. Appellante gebruikte in voorkomende gevallen ook het adres van appellant als het adres waarop hij bereikbaar was. Zij heeft weliswaar (ook) verklaard dat zij bij haar broer woont en op diens adres een eigen kamer heeft, maar tevens dat zij daar niet vaak is. Bij het voorgaande tekent de Raad aan dat appellanten geen feiten en omstandigheden hebben aangedragen, aan de hand waarvan kan worden verklaard waarom hun woonsituatie in de periode van 28 januari 2005 tot 14 juni 2006 in relevante mate anders was - en dus wellicht anders zou moeten worden beoordeeld - dan de woonsituatie in de periode vanaf 26 augustus 2006.

4.2.2. Naar aanleiding van de in hoger beroep naar voren gebrachte stelling van appellant dat hij een klacht heeft ingediend over het optreden van de sociale recherche tijdens zijn verhoor, overweegt de Raad dat zich in de gedingstukken geen klacht over het verhoor door de betrokken opsporingsambtenaren van de sociale recherche bevindt. Een dergelijke klacht is, zo is ter zitting van de Raad vanwege het Dagelijks Bestuur meegedeeld, bij de ISD ook niet bekend.

4.2.3. De Raad is verder van oordeel dat ook aan het tweede criterium voor het voeren van een gezamenlijke huishouding, dat van de wederzijdse zorg, gedurende de hier aan de orde zijnde tijdvakken is voldaan. Uit de onderzoeksgegevens komen voldoende elementen van financiële verstrengeling en wederzijdse zorg naar voren.

4.2.4. Appellanten hebben zich beroepen op arresten van het gerechtshof te Leeuwarden van 24 juli 2009, waaruit blijkt dat ten aanzien van hen slechts bewezen zijn verklaard strafbare feiten die zich hebben voorgedaan in de periode van 26 augustus 2006 tot en met 7 februari 2007. Naar vaste rechtspraak van de Raad doet dat aan het voorgaande geen afbreuk. De bestuursrechter is immers in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de rechter is geoordeeld. Daarbij is van belang dat in een strafrechtelijk geding een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

4.3. Nu appellant ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellante, moet hij voor de toepassing van de WWB als gehuwd worden aangemerkt. Hij had derhalve in de hier aan de orde zijnde tijdvakken geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft het Dagelijks Bestuur van het voeren van een gezamenlijke huishouding met appellante niet op de hoogte gesteld. Daarmee heeft hij zijn wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Die schending heeft met zich gebracht dat aan appellant ten onrechte over die tijdvakken bijstand is verleend naar de norm voor een alleenstaande. Het Dagelijks Bestuur was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellant over de periode van 28 januari 2005 tot 14 juni 2006 en van 26 augustus 2006 tot 1 maart 2007 in te trekken. Tegen de uitoefening van deze bevoegdheid heeft appellant in hoger beroep geen zelfstandige gronden naar voren gebracht.

4.4. Het Dagelijks Bestuur was gelet op het voorgaande tevens bevoegd tot terugvordering van appellant van de over de hiervoor genoemde perioden ten onrechte gemaakte kosten van bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB.

4.5. Nu ook de Raad tot het oordeel is gekomen dat appellanten in de in geding zijnde tijdvakken een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, en verlening van gezinsbijstand niettemin achterwege is gebleven omdat appellant niet heeft voldaan aan zijn wettelijke inlichtingenverplichting, is tevens gegeven dat ten aanzien van appellante is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB.

Het Dagelijks Bestuur was derhalve bevoegd de kosten van de ten onrechte aan appellant verleende bijstand mede van appellante terug te vorderen.

4.6. Appellanten hebben met betrekking tot de gebruikmaking van deze bevoegdheden naar voren gebracht dat het Dagelijks Bestuur onderzoek heeft gedaan naar de financiële positie van appellante, kennelijk om te kunnen bezien wat het feitelijke nadeel voor de ISD zou zijn geweest als appellant wel aan zijn inlichtingenverplichting had voldaan en (eventueel) recht zou hebben bestaan op bijstand naar de norm voor gehuwden, in aanvulling op de inkomsten van appellante, en dat dit onderzoek ten onrechte niet tot bijstelling van de bij appellanten teruggevorderde bedragen heeft geleid. Deze beroepsgrond treft geen doel. Het Dagelijks Bestuur heeft op basis van het verrichte onderzoek geconcludeerd dat er onvoldoende gegevens voorhanden waren om een eventuele aanspraak van appellanten op gezinsbijstand goed te kunnen vaststellen. Appellanten hebben daartegenover onvoldoende gesteld. Zij hebben noch in beroep noch in hoger beroep aannemelijk gemaakt dat het Dagelijks Bestuur is tekortgeschoten bij het verrichte onderzoek. Zij hebben evenmin aannemelijk gemaakt dat de in de primaire fase en in de bezwaarfase overgelegde gegevens voldoende waren om het feitelijk door de ISD geleden nadeel - voor zover er recht op aanvullende bijstand zou hebben bestaan - nader te berekenen. De Raad ziet in hetgeen is aangevoerd ook overigens geen grond voor het oordeel dat het Dagelijks Bestuur niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om tot volledige terugvordering en medeterugvordering over te gaan.

4.7. De Raad komt tot de conclusie dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken komen voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en E.J.M. Heijs en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.M. van Gorkum.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

SB