Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO2065

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2010
Datum publicatie
29-10-2010
Zaaknummer
08-6316 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. De beschikbare gegevens bieden onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt dat betrokkene in de in geding zijnde periode in het restaurant werkzaam is geweest. Verblijf in buitenland. Achterlaten van pinpas. De Raad ziet, gelet op de stempels in het paspoort en de overgelegde rekeningafschriften, waaruit blijkt dat er op 24 februari 2007 nog geen € 7,-- op betrokkenes rekening stond en pas op 28 februari 2007 € 50,-- weekgeld is bijgestort door Stadsbank Midden Nederland, onvoldoende reden aan de juistheid van de verklaring van betrokkene te twijfelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6316 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 september 2008, 07/4369 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 26 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. I. Correljé, advocaat te Hoek van Holland, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Calmera, werkzaam bij de gemeente Vlaardingen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Correljé.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontvangt sinds 7 maart 2006 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een anonieme melding op 9 oktober 2006 over het verrichten van zwart werk door betrokkene bij restaurant [naam restaurant] (hierna: restaurant) heeft de Afdeling handhaving van de gemeente Vlaardingen een onderzoek ingesteld. In de onderzoeksrapportage zijn de volgende bevindingen vermeld. Betrokkene is in de periode van 21 februari 2007 tot en met 18 mei 2007 diverse malen werkend in het restaurant aangetroffen. Zijn werkzaamheden bestonden onder meer uit het bereiden en inpakken van gerechten en het verrichten van verkoophandelingen. Ook bezorgde hij gerechten met een Peugeot met kenteken [kentekennummer]. Alle keren dat betrokkene in het restaurant werd waargenomen, stond deze auto op de parkeerplaats nabij het restaurant.

1.3. Op 25 juni 2007 is betrokkene met de onderzoeksbevindingen geconfronteerd. Hij verklaarde niet in het restaurant te werken en er ook niet te hebben gewerkt.

1.4. Bij besluit van 1 augustus 2007 heeft appellant de bijstand van betrokkene met ingang van 21 februari 2007 ingetrokken op de grond dat betrokkene in strijd met artikel 17, eerste lid, van de WWB geen melding heeft gemaakt van de verrichte werkzaamheden. Voorts zijn van betrokkene de over de periode van 21 februari 2007 tot en met 31 mei 2007 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.844,77 teruggevorderd.

1.5. Appellant heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 16 november 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met een bepaling omtrent de proceskosten en het griffierecht, het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het besluit van 16 november 2007 vernietigd en bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 21 februari 2007 tot en met 1 augustus 2007.

4.2. Met de rechtbank, en anders dan appellant, is de Raad van oordeel dat de beschikbare gegevens onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt dat betrokkene in de in geding zijnde periode in het restaurant werkzaam is geweest. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

4.2.1. Appellant is volgens de onderzoeksrapportage van de Afdeling handhaving onder meer op 2 maart 2007 werkend in het restaurant waargenomen. Betrokkene heeft gesteld dat dit niet juist kan zijn, omdat hij toen in Marokko bij zijn zieke vader verbleef.

Ten bewijze hiervan heeft hij zijn paspoort overgelegd met daarin een Marokkaans inreisstempel van 27 februari 2007 en een Marokkaans uitreisstempel van 4 maart 2007. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, nu de waarnemingen door de Afdeling handhaving op grond van een foto uit het paspoort hebben plaatsgevonden, gelet op de stempels in het paspoort, niet kan worden uitgesloten dat niet betrokkene maar iemand anders in de onderzoeksperiode in het restaurant is waargenomen. Daarbij betrekt de Raad dat bij elk van deze waarnemingen op de parkeerplaats nabij het restaurant een auto werd aangetroffen die niet op naam van betrokkene stond.

4.2.2. Dat betrokkene alleen de waarneming van 2 maart 2007 betwist, zoals appellant in hoger beroep heeft gesteld, is onjuist. Appellant heeft immers ontkend in het restaurant te hebben gewerkt.

4.2.3. Appellant acht niet aannemelijk dat betrokkene in de periode van 27 februari 2007 tot en met 4 maart 2007 in Marokko heeft verbleven, omdat er met zijn pinpas op 28 februari 2007 een geldopname heeft plaatsgevonden. Het door betrokkene gestelde dat hij zijn pinpas aan een vriend in Nederland heeft gegeven en vervolgens zonder pinpas en geld in Marokko heeft verbleven, acht appellant evenmin aannemelijk. Betrokkene heeft hierover, mede onder overlegging van een schriftelijke verklaring van [H.], het volgende verklaard. Hij heeft van zijn vriend [H.] op 24 februari 2007 voorafgaand aan zijn vertrek naar Marokko € 50,-- geleend. Hij heeft zijn pinpas aan zijn vriend gegeven, zodat deze na de wekelijkse storting van € 50,-- op de rekening van betrokkene dit bedrag met behulp van de pinpas kon terugkrijgen. Het had geen zin om zijn pinpas naar Marokko mee te nemen, omdat er toch vrijwel geen geld op zijn rekening stond en hij in Marokko door zijn familie werd onderhouden. De Raad ziet, gelet op de stempels in het paspoort en de overgelegde rekeningafschriften, waaruit blijkt dat er op 24 februari 2007 nog geen € 7,-- op betrokkenes rekening stond en pas op 28 februari 2007 € 50,-- weekgeld is bijgestort door Stadsbank Midden Nederland, onvoldoende reden aan de juistheid van de verklaring van betrokkene te twijfelen.

4.2.4. Appellant heeft ten slotte aangevoerd dat betrokkene tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat hij vaak in het restaurant kwam, omdat hij de eigenaar goed kende, dat hij vaak in het restaurant at en af en toe achter de bar wat onbetaald werk deed om hiervoor iets terug te doen. Deze verklaring is echter onvoldoende om te oordelen dat aannemelijk is dat betrokkene in de periode van 21 februari 2007 tot en met 31 mei 2007 in het restaurant meldingsplichtige, op geld waardeerbare arbeid heeft verricht.

4.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet aanleiding om appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 433,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en E.J.M. Heijs en

N.M. van Waterschoot als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

N.M. van Gorkum als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.M. van Gorkum.

SB