Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO2064

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2010
Datum publicatie
29-10-2010
Zaaknummer
08-6199 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijzondere bijstand buiten behandeling gelaten omdat niet binnen de gestelde termijn de ontbrekende gegevens zijn vetrekt. Het betreft hier gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs kan beschikken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6199 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 september 2008, 07/6217 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Gouda (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2010. Appellante is verschenen, vergezeld door haar partner [naam partner]. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A. van Dalsum, werkzaam bij de gemeente Gouda.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante en haar partner hebben op 29 januari 2007 een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor de kosten van de begrafenis van appellantes moeder, een gasfornuis en een vriezer. Bij brief van 1 februari 2007, verzonden op 6 februari 2007, heeft het College hun verzocht binnen tien werkdagen na de verzenddatum van de brief de, in die brief opgesomde, ontbrekende gegevens te verstrekken. Daarbij is tevens aan hen meegedeeld dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen indien de gevraagde gegevens niet of niet volledig worden verstrekt. Bij besluit van 21 februari 2007 heeft het College de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gelaten, op de grond dat appellante en haar partner niet binnen de in de brief van

1 februari 2007 gestelde termijn volledig aan het verzoek tot verstrekking van de ontbrekende gegevens hebben voldaan.

1.2. Bij besluit van 11 juli 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

21 februari 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

11 juli 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2. Appellante heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat zij alle gevraagde gegevens heeft overgelegd. De Raad deelt dit standpunt niet en verwijst hiertoe naar het besluit van 21 februari 2007, waarin is opgesomd welke eerder gevraagde gegevens niet zijn verstrekt. Het betreft hier gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs kan beschikken. Het College was dan ook bevoegd om de aanvraag van 29 januari 2007 met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te stellen. In de stelling van appellante dat de financiële nood hoog is, is geen grond gelegen voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en E.J.M. Heijs en

N.M. van Waterschoot als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

N.M. van Gorkum als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get. ) N.M. van Gorkum.

SB