Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1983

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-10-2010
Datum publicatie
28-10-2010
Zaaknummer
08-1982 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In aanmerking genomen dat het College tevens rekening houdt met de verwijtbaarheid van betrokkene bij de brutering van een netto vordering, zoals blijkt uit het besluit van 14 september 2007, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het bruteringsbeleid van het College de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat. Het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een situatie waarin het College geen verwijt ter zake van het ontstaan van de bruteringsbevoegdheid kan worden gemaakt en appellante wel, gezien haar late aanvraag om een WW-uitkering, heeft appellante niet bestreden. Uitgaande van die situatie heeft het College in overeenstemming met zijn beleid inzake brutering gehandeld door ook de loonheffing over de bijstand over de periode van 10 tot en met 31 oktober 2006 van appellante terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010/237
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1982 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 maart 2008, 07/4066 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2010. Voor appellante is verschenen mr. Balkema. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A. de Ronde, werkzaam bij de gemeente Arnhem.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt vanaf 1 augustus 2002 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) heeft appellante bij besluit van 22 februari 2007 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend over de periode van 10 oktober 2006 tot en met 9 maart 2007. Het Uwv heeft ter zake van deze uitkering in februari en in maart 2007 netto een bedrag van in totaal € 2.511,78 uitbetaald. Het College heeft dit bedrag omgerekend naar maandbedragen en vervolgens - met toepassing van artikel 58, derde lid, van de WWB - de uitkeringsbedragen die betrekking hebben op de periode van 1 november 2006 tot en met 9 maart 2007 verrekend met de bijstandsuitkering van appellante over de maanden februari 2007 en volgende.

1.2. De uitbetaling in februari 2007 van WW-uitkering over de periode van 10 tot en met 31 oktober 2006 tot een bedrag van - omgerekend - € 326,06 (netto) is voor het College voorts aanleiding geweest om bij besluit van 25 april 2007, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 september 2007, de kosten van bijstand over die periode met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB van appellante terug te vorderen tot een bedrag van € 512,44 (bruto). Netto wordt € 326,06 teruggevorderd. De loonheffing over dit bedrag heeft het College aan de hand van een zogeheten ‘was-wordtberekening’ vastgesteld op € 186,36.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 september 2007 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat het College niet bevoegd was het netto teruggevorderde bedrag te bruteren. Voor zover die bevoegdheid wel bestaat heeft het College daarvan in redelijkheid geen gebruik kunnen maken. In ieder geval heeft het College de onder 1.2 bedoelde ‘was-wordtberekening’ niet juist uitgevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB de verleende bijstand over de periode van 10 tot en met 31 oktober 2006 tot een bedrag van € 326,06 van appellante terug te vorderen. Het gaat in dit geding uitsluitend om het teruggevorderde bedrag aan loonheffing van € 186,36.

4.2. Artikel 58, vierde lid, van de WWB luidde ten tijde in geschil als volgt:

“Bij gebreke van tijdige betaling kan de vordering worden verhoogd met de wettelijke rente en de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet, kunnen worden teruggevorderd, voor zover deze belasting, premies en vergoeding niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting, premies volksverzekeringen en vergoeding.”

4.3. Ter onderbouwing van haar standpunt dat het College niet bevoegd was gebruik te maken van de in artikel 58, vierde lid, van de WWB neergelegde (bruterings)bevoegdheid heeft appellante aangevoerd dat het recht op WW-uitkering pas in 2007 is ontstaan, dat pas in dat jaar de verplichting tot terugbetaling van bijstand is ontstaan en dat op dat moment nog geen sprake was van een situatie van in gebreke zijn als bedoeld in artikel 58, vierde lid, van de WWB. Deze stelling berust naar het oordeel van de Raad op een onjuiste rechtsopvatting. De bedragen aan WW-uitkering die in 2007 zijn uitbetaald, hebben immers betrekking op aanspraken op WW over de periode van 10 oktober 2006 tot en met 9 maart 2007 en moeten derhalve, gelet op artikel 45, eerste lid, van de WWB, worden toegerekend aan de in die periode gelegen maanden. Dit heeft in 2007 geleid tot onder meer een - in hoger beroep niet aangevochten - terugvordering van bijstand over een deel van oktober 2006. Hiervan uitgaande was een verrekening in de zin van artikel 58, vierde lid, tweede volzin, van de WWB niet meer mogelijk, zodat het College op grond van die bepaling bevoegd was de verschuldigde loonbelasting over het in oktober 2006 betaalde bedrag aan bijstand van € 326,06 van appellante terug te vorderen. Anders dan appellante veronderstelt, komt in dit verband geen betekenis toe aan het feit dat de situatie van de eerste volzin van artikel 58, vierde lid, van de WWB zich hier niet voordoet. Voor zover appellante meent dat, gezien de ‘verrekenbepalingen’ van het Burgerlijk Wetboek, waarvan in het bijzonder de artikelen 6:137 en 6:43, tweede lid, de vordering over de maand oktober 2006 (netto), als oudste vordering (netto) had moeten worden verrekend met de bijstand over februari of maart 2007 en dat er in dat licht geen grond is voor brutering, gaat zij eveneens uit van een onjuiste rechtsopvatting. Het gaat hier immers om een - niet in geschil zijnde - terugvordering van bijstand, waarop artikel 58, derde lid, van de WWB, de ‘verrekenbepaling’ van de WWB, niet van toepassing is.

4.4. Appellante heeft voorts betoogd dat het College niet in redelijkheid van zijn bruteringsbevoegdheid op grond van artikel 58, vierde lid, tweede volzin, van de WWB gebruik heeft kunnen maken, omdat het College geen redelijke invulling heeft gegeven aan deze bevoegdheid en niet alle belangen heeft meegewogen. Voor zover appellante hiermee heeft willen betogen dat het beleid inzake brutering van het College niet deugt, volgt de Raad haar daarin niet. Kort samengevat en voor zover van belang houdt dit beleid in dat (geheel of gedeeltelijk) van brutering kan worden afgezien indien het College ter zake van het ontstaan van die bevoegdheid een verwijt kan worden gemaakt, waarbij mede wordt betrokken de mate van verwijtbaarheid van betrokkene bij het ontstaan van de vordering. In aanmerking genomen dat het College tevens rekening houdt met de verwijtbaarheid van betrokkene bij de brutering van een netto vordering, zoals blijkt uit het besluit van 14 september 2007, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het bruteringsbeleid van het College de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat. Het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een situatie waarin het College geen verwijt ter zake van het ontstaan van de bruteringsbevoegdheid kan worden gemaakt en appellante wel, gezien haar late aanvraag om een WW-uitkering, heeft appellante niet bestreden. Uitgaande van die situatie heeft het College in overeenstemming met zijn beleid inzake brutering gehandeld door ook de loonheffing over de bijstand over de periode van 10 tot en met 31 oktober 2006 van appellante terug te vorderen. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van dat beleid had moeten afwijken.

4.5. Ter onderbouwing van haar standpunt dat het College de ‘was-wordtberekening’ niet juist heeft uitgevoerd, heeft appellante er aan de hand van een rekenvoorbeeld op gewezen dat het College door de uitbetaling van WW-uitkering over oktober 2006 in februari 2007 een groot voordeel heeft gehad, verband houdend met de inbouw van de algemene heffingskorting in de bijstandsuitkering over oktober 2006, waarmee ten onrechte geen rekening is gehouden. Appellante heeft echter niet inzichtelijk gemaakt welk voordeel het College precies zou hebben behaald, terwijl uit de ‘was-wordtberekening’ noch de overige beschikbare gegevens kan worden afgeleid dat het College een hoger bedrag aan loonheffing van appellante heeft teruggevorderd dan aan de fiscus is afgedragen. Ook overigens biedt hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het bruteringsbedrag niet juist is berekend.

4.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J. de Jong.

IJ