Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1982

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-10-2010
Datum publicatie
29-10-2010
Zaaknummer
09-6296 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de in hoger beroep herhaalde en niet nader onderbouwde gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet kunnen slagen. De beoordeling van de medische aspecten van het bezwaar heeft plaats gevonden door een bezwaarverzekeringsarts die niet bij de voorbereiding van de bestreden beschikking betrokken is geweest. Geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6296 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 8 oktober 2009, 08/7117 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J. Jaspers, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 15 september 2010, waar partijen, zoals aangekondigd, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 3 oktober 2008, waarbij het Uwv - beslissend op bezwaar - de WAO-uitkering van appellante met ingang van

1 september 2008 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er onvoldoende grond is voor het oordeel dat de rapportages van de verzekeringsartsen van het Uwv niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De rechtbank heeft het standpunt van appellante dat een andere bezwaarverzekeringsarts had dienen te reageren op de door haar ingebrachte bezwaren tegen het voorgenomen besluit op bezwaar, niet onderschreven. Evenmin bestaan er naar het oordeel van de rechtbank aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de rapportages. Voor benoeming van een deskundige heeft de rechtbank geen aanleiding gezien. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat de aan het besluit van 3 oktober 2008 ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt voor appellante zijn te achten.

2. In hoger beroep heeft appellante onder verwijzing naar de door haar in bezwaar en beroep ingediende gronden aangevoerd dat zij volledig arbeidsongeschikt is te achten en dat het onderzoek van het Uwv onvolledig, onzorgvuldig en onjuist is geweest. Voorts heeft het Uwv volgens appellante gehandeld in strijd met artikel 10, eerste lid, van het Reglement inzake de behandeling van bezwaarschriften Uwv 2007 (hierna: het Reglement). Ten slotte heeft appellante verzocht om benoeming van een onafhankelijk medisch deskundige.

3.1. In hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een ander oordeel te komen dan door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is neergelegd. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de in hoger beroep herhaalde en niet nader onderbouwde gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet kunnen slagen.

3.2. Met betrekking tot de stelling dat het Uwv heeft gehandeld in strijd met artikel 10, eerste lid, van het Reglement is de Raad van oordeel dat die stelling feitelijke grondslag mist en derhalve faalt. Op grond van deze bepaling vindt beoordeling van de medische aspecten van het bezwaar plaats door een bezwaarverzekeringsarts die niet bij de voorbereiding van de bestreden beschikking betrokken is. Uit het dossier komt niet naar voren dat de bij het besluit van 3 oktober 2008 betrokken bezwaarverzekeringsarts tevens een rol heeft gespeeld bij de voorbereiding van het besluit van 21 november 2007.

3.3. In het voorgaande ligt tevens besloten dat de Raad geen aanleiding ziet een deskundige te benoemen.

4. Uit de overwegingen 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2010.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) M.A. van Amerongen.

CVG