Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1972

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2010
Datum publicatie
28-10-2010
Zaaknummer
10-1254 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering omzetting prestatiebeurs in een gift, omdat het diploma buiten de diplomatermijn als bedoeld in artikel 5.7 Wsf 2000 behaald is.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000
Wet studiefinanciering 2000 5.2
Wet studiefinanciering 2000 5.5
Wet studiefinanciering 2000 5.7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2010/304
USZ 2010/358
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1254 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 januari 2010, 09/347 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: Minister).

Datum uitspraak: 22 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. D.J. Gutter, advocaat te Baarn, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2010. Voor appellant was aanwezig [G.] en voor de Minister mr. G.J.M. Naber.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad stelt voorop dat in dit geding de Minister tevens optreedt als rechtsopvolger van de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep.

2.1. Appellant is op 1 september 1998 gestart met de opleiding Werktuigbouwkunde aan de Hogeschool Utrecht. In verband hiermede is aan hem met ingang van deze datum studiefinanciering toegekend in de vorm van een prestatiebeurs. Begin 2003 heeft appellant deze opleiding met goed gevolg afgerond. Op basis van het behaalde diploma is de toegekende prestatiebeurs voor de maanden september 1999 tot en met augustus 2002 omgezet in een gift. De prestatiebeurs voor de maanden september 1998 tot en met augustus 1999 was al eerder omgezet in een gift.

2.2. Op 1 september 2003 is appellant gestart met de vijfjarige opleiding Techniek en Maatschappij aan de TU Eindhoven. Bij de aanvang van zijn opleiding is aan appellant een prestatiebeurs toegekend voor 12 maanden.

2.3. Op 1 oktober 2008 heeft appellant het afsluitende diploma behaald voor zijn opleiding aan de TU Eindhoven.

2.4. Bij besluit op bezwaar van 26 januari 2009 heeft de Minister gehandhaafd zijn besluit van 21 november 2008 waarbij is geweigerd de door appellant ontvangen prestatiebeurs voor de maanden september 2003 tot en met augustus 2004 om te zetten in een gift, op de grond dat het diploma Techniek en Maatschappij is behaald buiten de diplomatermijn als bedoeld in artikel 5.7 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000).

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 26 januari 2009 ongegrond verklaard.

3.2. De rechtbank heeft in haar uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en de Minister als verweerder, het volgende overwogen:

“De rechtbank stelt vast dat ten tijde van de omzetting van de voor de opleiding Werktuigbouwkunde aan eiser toegekende prestatiebeurs geen sprake was van een resterende periode prestatiebeurs in de zin van artikel 5.7, tweede lid, van de Wsf 2000. Voor deze opleiding geldt immers een prestatiebeurs van 4 jaren, die door eiser volledig is benut. Eerst in verband met de aanvang van de opleiding Techniek en Maatschappij is aan eiser 12 maanden extra prestatiebeurs toegekend. Omzetting van deze maanden is alleen mogelijk indien, zo heeft verweerder in het verweerschrift nog eens toegelicht, binnen de diplomatermijn een opleiding wordt afgerond die recht geeft op toekenning van 5 jaar prestatiebeurs. Ingevolge de tweede volzin van artikel 5.5 van de Wsf 2000 is de diplomatermijn in het geval van eiser aangevangen op 1 september 1998. De rechtbank overweegt voorts dat de wetgever met de bepaling van artikel 5.5 van de Wsf 2000 expliciet heeft beoogd studenten een periode van 10 jaren te geven waarbinnen de prestatie van hoofdstuk 5 van de Wsf 2000 moet worden geleverd. De wettelijke regeling noch de wetsgeschiedenis biedt aanknopingspunten voor het oordeel dat deze periode opnieuw aanvangt bij het aanvangen van een nieuwe studie waarvoor prestatiebeurs is toegekend. De voor eiser geldende diplomatermijn liep derhalve af op 31 augustus 2008. Dit betekent dat het bepaalde in artikel 5.7 van de Wsf 2000 aan omzetting van de toegekende prestatiebeurs in een gift in de weg staat. Eisers beroep op artikel 5.7, vierde lid, van de Wsf 2000 kan evenmin slagen. Het door eiser op 1 september 2006 behaalde kandidaatsdiploma is gelijk te stellen met het examen van een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs met een studieduur van 3 jaar. In de namens eiser overgelegde brief van verweerder van juni 2002 is aangegeven dat eiser zijn prestatiebeurs kan laten omzetten in een gift als hij een bacheloropleiding aan de universiteit had afgerond. Zoals hiervoor weergegeven, heeft eiser reeds 4 jaar studiefinanciering ontvangen voor het volgen van een bacheloropleiding aan de hogeschool, zodat aan het kandidaatsdiploma niet de waarde kan worden gehecht die eiser daaraan gehecht wenst te zien. Daarna heeft eiser nog een tweejarige masteropleiding aan het wetenschappelijk onderwijs gevolgd, waarvoor hij de in geding zijnde 1 jaar studiefinanciering heeft ontvangen. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat de informatievoorziening door verweerder in deze tekort is geschoten. Mocht bij eiser onduidelijkheid hebben bestaan, dan had het op zijn weg gelegen nadere informatie bij verweerder op te vragen.”

4.1. De Raad kan zich vinden in deze overwegingen van de rechtbank. Al hetgeen appellant heeft aangevoerd, in het bijzonder het door hem gestelde met betrekking tot artikel 5.2 van de WSF 2000, kan hieraan niet afdoen. Dat artikel 5.2 van de WSF 2000 in het verleden deels anders was geformuleerd, leidt evenmin tot een andere conclusie. In de tekst van artikel 5.7, eerste lid, in samenhang met artikel 5.5 van de Wsf 2000, noch in de wetsgeschiedenis van deze artikelen is steun te vinden voor de opvatting van appellant dat een nieuwe diplomatermijn voor hem is aangevangen op het moment dat hij ging studeren aan de TU Eindhoven. Met de rechtbank is de Raad tevens van oordeel dat de Minister niet tekort geschoten is in de informatievoorziening. Appellant had zich moeten realiseren dat in zijn geval de diplomatermijn van tien jaar een aanvang nam op

1 september 1998. De wet is op dit punt volstrekt duidelijk.

4.2. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep faalt. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.L. Rijnen.

KR