Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1885

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2010
Datum publicatie
28-10-2010
Zaaknummer
09-3117 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het bestreden besluit en de aangevallen uitspaak is met juistheid overwogen, dat uit de in 4.1 genoemde bepalingen volgt dat appellants eerste WW-recht per 22 augustus 2006 geheel is geëindigd en niet meer kan herleven, en dat zijn BW-uitkering eveneens per die datum is geëindigd en niet meer kan herleven. De desbetreffende bepalingen zijn, zoals de rechtbank terecht heeft opgemerkt, dwingendrechtelijk van aard en bieden het college geen ruimte anders te beslissen dan is gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2010/176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3117 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2009, 08/3160 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 14 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 9 september 2009. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is van 1 januari 2003 tot 1 mei 2003 als metro-bestuurder in dienst geweest bij de gemeente Rotterdam. Op 4 april 2003 heeft hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluiten van 15 september 2004 is hem deze uitkering geweigerd, omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden, en is hem om dezelfde reden door het college een bovenwettelijke uitkering (hierna: BW-uitkering) op grond van de gemeentelijke Verordening bovenwettelijke werkloosheidsuitkering geweigerd.

Bij besluiten van 20 januari 2006 zijn beide besluiten van 15 september 2006 na bezwaar gehandhaafd.

1.2. De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 13 november 2006, 06/437 en 06/438, de besluiten van 20 januari 2006 vernietigd. Daarop zijn aan appellant bij besluiten van 6 december 2006 alsnog met ingang van 1 mei 2003 de gevraagde uitkeringen toegekend. De WW-uitkering betrof een loongerelateerde werkloos-heidsuitkering gedurende twee jaar, gevolgd door een vervolguitkering gedurende twee jaar, eindigend op 30 april 2007 (hierna: eerste WW-recht). De BW-uitkering betrof een aanvullende uitkering voor dezelfde duur als de WW-uitkering, gevolgd door een aansluitende uitkering tot en met 18 mei 2011.

1.3. Appellant had intussen gedurende twee perioden - van 12 juni 2003 tot 21 juni 2004 en van 28 augustus 2005 tot 22 augustus 2006 - elders gewerkt en als gevolg daarvan nieuwe WW-rechten opgebouwd. Op grond van zijn laatste dienstbetrekking bij Carriérewinkel BV is hem met ingang van 22 augustus 2006 voor de duur van twee jaar een loongerelateerde WW-uitkering toegekend gebaseerd op een arbeidspatroon van 33 uur en 7 minuten.

1.4. Bij besluit van 14 september 2007, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 10 juli 2008, heeft het college geweigerd appellant de BW-uitkering uit te betalen. Daartoe heeft het college overwogen dat het eerste WW-recht van appellant vanuit zijn dienstverband bij de gemeente per 23 juli 2006 niet meer tot uitbetaling kan komen omdat appellant vanaf week 30 (2006) 36 uur per week gewerkt heeft bij Carrièrewinkel BV. Appellant heeft een urenverlies van minder dan 5 uur per week waardoor hij niet meer werkloos is en de WW-uitkering niet meer tot uitbetaling komt. Per 22 augustus 2006 is een nieuw WW-recht ontstaan van 33 uur en 7 minuten waardoor appellants eerste WW-recht van 36 uur niet meer herleeft; in verband hiermee kan de daaraan verbonden BW-uitkering niet meer tot uitbetaling komen, aldus het college.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in zijn stelling, dat indien het eerste WW-recht hem eerder was toegekend, en niet pas na de uitspraak van de rechtbank van 13 november 2006, er geen sprake zou zijn geweest van een tweede en derde WW-recht en het college het recht op een BW-uitkering niet zou hebben beëindigd met ingang van 22 augustus 2006, en dat hij daarom aanspraak heeft behouden op zijn BW-uitkering.

3. In hoger beroep heeft appellant nogmaals gesteld dat hij zich, doordat hem aanvankelijk een WW-uitkering werd onthouden, gedwongen heeft gezien niet passende arbeid te aanvaarden. Zou direct in mei 2003 de juiste beslissing zijn genomen, dan had appellant deze arbeid niet hoeven te accepteren en zou hij tot en met 18 mei 2011 recht hebben gehad op de BW-uitkering. Daarbij heeft appellant gesteld dat voor de aansluitende BW-uitkering geen WW-uitkering vereist is.

Het college heeft tegen de stellingen van appellant gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de WW eindigt het recht op uitkering (b) voor zover de werknemer niet langer werkloos is, of (c) indien ter zake van na het ontstaan van het recht verrichte arbeid een nieuw recht op uitkering is ontstaan, voor zover het aantal arbeidsuren waarnaar beide rechten samen zijn berekend, vermeerderd met het resterend aantal arbeidsuren per kalenderweek, groter is dan het aantal arbeidsuren, bedoeld in artikel 16, voorafgaande aan het intreden van het verlies van arbeidsuren waarnaar het eerstgenoemde recht is berekend.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de WW herleeft een recht op uitkering dat ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b en c geheel of gedeeltelijk is geëindigd, indien vervolgens de omstandigheid die tot dat eindigen heeft geleid, heeft opgehouden te bestaan.

Ingevolge artikel 21, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW herleeft een recht dat geheel geëindigd is niet indien een nieuw recht op uitkering is ontstaan uit een volledige dienstbetrekking en het verschil tussen het geëindigde recht en het nieuwe recht minder dan vijf arbeidsuren per kalenderweek bedraagt.

Ingevolge de artikelen 6, 7, 20 en 21 van de Verordening bovenwettelijke werkloosheidsuitkering van de gemeente Rotterdam zijn de in de WW vastgelegde bepalingen betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging, alsmede die betreffende de herleving van een recht op WW-uitkering, van toepassing op de bovenwettelijke aanvullende en aansluitende uitkeringen.

4.2. In het bestreden besluit en de aangevallen uitspaak is met juistheid overwogen, dat uit de in 4.1 genoemde bepalingen volgt dat appellants eerste WW-recht per 22 augustus 2006 geheel is geëindigd en niet meer kan herleven, en dat zijn BW-uitkering eveneens per die datum is geëindigd en niet meer kan herleven. De desbetreffende bepalingen zijn, zoals de rechtbank terecht heeft opgemerkt, dwingendrechtelijk van aard en bieden het college geen ruimte anders te beslissen dan is gedaan.

De rechtbank heeft er voorts met juistheid op gewezen, dat ook in het geval aan appellant direct aansluitend aan zijn ontslag, en niet pas enige jaren later, het eerste WW-recht zou zijn toegekend, door de werkzaamheden die appellant na 1 mei 2003 heeft verricht een tweede en derde WW-recht zouden zijn ontstaan en het eerste WW-recht en de daaraan verbonden BW-uitkering beide met ingang van 22 augustus 2006 zouden zijn geëindigd.

4.3. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling, dat als hem direct zijn eerste WW-recht was toegekend, hij tot en met 18 mei 2011 recht had gehad op de daaraan verbonden BW-uitkering, en dat daarom - in afwijking van genoemde wettelijke bepalingen - zijn BW-uitkering gehandhaafd dient te blijven. Het stelsel van toepasselijke dwingendrechtelijke bepalingen biedt geen ruimte voor een uitzondering als door appellant in feite bepleit.

De Raad wijst er in dit verband nog op, dat een eenmaal toegekend WW-recht geen absoluut karakter heeft en niet tot de laatste (theoretische) uitkeringsdag is gegarandeerd: een uitkeringsgerechtigde zal steeds moeten voldoen aan de gestelde voorwaarden, waaronder de verplichting tot het aanvaarden van passend werk. Het is, ook indien appellant direct zijn eerste WW-recht was toegekend, geenszins uitgesloten, dat appellant als gevolg van die verplichting ander passend werk had aanvaard, waardoor dat WW-recht en de daaraan verbonden BW-uitkering eveneens zouden zijn geëindigd.

4.4. Ook de stelling van appellant, dat voor de aansluitende BW-uitkering geen WW-uitkering vereist is, treft geen doel. Dat de aansluitende uitkering vanwege zijn volgtijdelijk karakter pas ingaat nadat de uitkeringsduur van de WW-uitkering is verstreken, doet er immers niet aan af dat overigens, zoals boven is overwogen, de bepalingen inzake eindiging en herleving van een WW-recht onverkort van toepassing zijn op die aansluitende uitkering.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenvergoeding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en K.J. Kraan en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2010.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) I. Mos.

HD