Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1882

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-10-2010
Datum publicatie
27-10-2010
Zaaknummer
08-5513 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bestuur was op de hoogte van het bestaan van het wetsbesluit, maar dat het gelet op de hem in de CAO UMC gegeven discretionaire bevoegdheid een inhoudelijke afweging heeft willen maken. De vraag of een CAO-bepaling in strijd is met hogere regelgeving is niet te beschouwen als een kwestie van openbare orde waaraan de rechtbank ambtshalve zou dienen te toetsen. Naar het oordeel van de Raad heeft het bestuur bij afweging van de belangen van appellante en die van de dienst in redelijkheid het dienstbelang kunnen laten prevaleren. Het ziekteverzuim van appellante was zowel absoluut als relatief erg hoog. Er bestaat geen aanleiding voor twijfel aan de door het bestuur in geding gebrachte gegevens over het ziekteverzuim. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2010, 2112
TAR 2011/6
ABkort 2010/389
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5513 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 augustus 2008, 07/2808 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van Bestuur van het Erasmus Universitair Medisch Centrum (hierna: bestuur)

Datum uitspraak: 14 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot, [naam echtgenoot]. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door Y.G.B. Coonen, F. Raymaekers en C. Meinhardt, allen werkzaam bij het Erasmus MC.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Het bestuur heeft bij besluit van 8 november 2006 het verzoek van appellante om na het bereiken van de 65-jarige leeftijd in haar functie van sterilisatiemedewerker te mogen doorwerken, afgewezen en appellante met ingang van 1 januari 2007 eervol ontslag verleend. Bij het bestreden besluit van 21 juni 2007 is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Het bestuur heeft geen gebruik gemaakt van zijn in artikel 12.3, eerste lid, van de CAO Universitair Medische Centra (CAO UMC) neergelegde bevoegdheid om medewerkers geen ontslag te verlenen als zij de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, omdat volgens het bestuur de belangen die voor appellante verbonden zijn aan het doorwerken na haar 65ste niet opwegen tegen het hier tegenover staande dienstbelang.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank is artikel 12.3, eerste lid, van de CAO UMC in strijd met hogere regel-geving, namelijk met het Besluit vaststelling leeftijdsgrens openbare functies van

13 september 1945, Stb. F 173 (hierna: wetsbesluit). Op grond van het wetsbesluit diende aan appellante bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd ontslag te worden verleend en was er voor het bestuur geen ruimte om van het wetsbesluit af te wijken.

2.1. Appellant heeft, kort samengevat, aangevoerd dat de rechtbank het bestreden besluit ten onrechte niet inhoudelijk heeft getoetst en tevens dat een inhoudelijke toetsing moet leiden tot de conclusie dat de door het bestuur gehanteerde argumenten om appellante niet toe te staan door te werken na het bereiken van de 65-jarige leeftijd onjuist zijn.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Nu de rechtbank met voorbijgaan aan de grondslag van het bestreden besluit haar uitspraak heeft gebaseerd op het oordeel dat het bestuur appellante op grond van het wetsbesluit ontslag had dienen te verlenen, is zij naar het oordeel van de Raad buiten de in artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omschreven grenzen van het haar voorgelegde geschil getreden. Uit de gedingstukken en in het bijzonder uit het verhandelde ter zitting van de rechtbank blijkt dat het bestuur op de hoogte was van het bestaan van het wetsbesluit, maar dat het gelet op de hem in de CAO UMC gegeven discretionaire bevoegdheid een inhoudelijke afweging heeft willen maken. De vraag of een CAO-bepaling in strijd is met hogere regelgeving is niet te beschouwen als een kwestie van openbare orde waaraan de rechtbank ambtshalve zou dienen te toetsen. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

3.2. De Raad heeft zich vervolgens beraden over de vraag of na vernietiging van de aangevallen uitspraak de zaak naar de rechtbank moet worden teruggewezen. In aanmerking nemend dat de zaak naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, beantwoordt de Raad die vraag ontkennend.

4. De vraag die de Raad nu moet beantwoorden is of het bestuur bij afweging van de daarvoor in aanmerking komende belangen in redelijkheid tot afwijzing van het verzoek van appellante en verlening van eervol ontslag aan appellante heeft kunnen komen.

4.1. Het bestuur is van mening dat het dienstbelang niet gebaat is bij voortzetting van het dienstverband met appellante na het bereiken van de 65-jarige leeftijd door appellante. Die mening steunt op een combinatie van verschillende uiteenlopende omstandigheden, zoals de omstandigheid dat de functie van sterilisatiemedewerker een fysiek zware functie is (die de mogelijkheid biedt op de leeftijd van 59 jaar vervroegd uit te treden), appellante in de jaren voorafgaand aan haar pensionering een hoog ziekteverzuim had en appellante (als gevolg van het ontbreken van de vereiste diploma’s en om medische redenen) niet alle werkzaamheden heeft kunnen verrichten die tot het takenpakket van een sterilisatiemedewerker behoren.

4.2. Appellante wil doorwerken na haar 65ste omdat zij het werk leuk vindt, het werk haar voldoening schenkt en zij bij doorwerken een hoger inkomen zal hebben dan het ouder-domspensioen ingevolge de AOW (AOW-pensioen) en het pensioen dat zij vanaf haar 65ste ontvangt. Daarbij wijst zij op de korting op haar AOW-pensioen omdat zij pas vanaf haar 24-jarige leeftijd in Nederland woont en pas vanaf dat moment verzekerd is voor de AOW.

4.3. Naar het oordeel van de Raad heeft het bestuur bij afweging van de belangen van appellante en die van de dienst in redelijkheid het dienstbelang kunnen laten prevaleren. De Raad merkt daarbij nog op dat voor de Raad niet is komen vast te staan wat de oorzaak is geweest van het feit dat appellante alleen in dagdienst werkzaamheden verrichtte op de poliklinieken. Evenmin is voor de Raad komen vast te staan dat appellante voorafgaand aan haar ontslag geen handelingen verrichtte waarvoor de zogenaamde diploma-eis gold. Dat laat echter onverlet dat vaststaat dat appellante niet meedraaide in de reguliere 24-uursdiensten, niet werkte in de kliniek en niet beschikte over het diploma, dat sinds enkele jaren voor het kunnen verrichten van bepaalde handelingen door het bestuur werd geëist. Dat op grond van een eerdere uitspraak tussen partijen in het kader van haar bezoldiging die diploma-eis niet aan appellante mocht worden tegengeworpen, betekent niet dat het niet voldoen aan die diploma-eis niet mag worden meegewogen bij de afweging die thans in geding is. Voorgaande overwegingen betekenen wel dat de omstandigheid dat appellante niet alle werkzaamheden verrichtte enigszins moet worden gerelativeerd.

Dat geldt niet voor de omstandigheid van het hoge ziekteverzuim van appellante. Uit de gedingstukken kan met voldoende zekerheid worden opgemaakt dat het ziekteverzuim van appellante zowel absoluut als relatief erg hoog was. Er zijn wellicht jaren geweest waarin het ziekteverzuim op de afdeling hoog was, maar ook in die jaren steeg het ziekteverzuim van appellante daar boven uit. De Raad merkt in dit verband nog op dat geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de door het bestuur in geding gebrachte gegevens over het ziekteverzuim. De stellingen van appellante dat zij al gedurende jaren een gelijksoortig ziekteverzuim heeft gehad en dat zij om allerlei redenen is uitgevallen, maakt het niet anders.

5. Het voorgaande leidt tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en ongegrondverklaring van het beroep. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2010.

(get.) M.C. Bruning.

(get.) B. Bekkers.

HD