Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1817

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2010
Datum publicatie
29-10-2010
Zaaknummer
09-527 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De door de rechtbank benoemde deskundige wordt gevolgd. De Raad wijst er (...) op dat dr. Emmelot in zijn rapport van 13 november 2007 heeft aangegeven dat betrokkene beperkingen ondervindt op het gebied van de handfunctie en het langdurig positioneren van de hand in de ruimte. Anders dan de bezwaararbeidsdeskundige in zijn reactie van 1 juli 2010 heeft gesteld, gaat het dus niet uitsluitend om langdurige handelingen met de rechterhand waarbij bovendien kracht moet worden gezet. Onvoldoende functies resteren. De Raad voorziet zelf door de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 18 maart 2007 vast te stellen op 80 tot 100%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/527 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 9 december 2008, 07/382 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 22 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2010. Voor appellant was aanwezig [v.d. B.]. Zoals aangekondigd, was betrokkene niet aanwezig.

Na de zitting heeft de Raad geoordeeld dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmede het onderzoek is heropend.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 3 september 2010. Appellant heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen. Betrokkene was aanwezig, bijgestaan door mr. A. Bijlsma, werkzaam bij de Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 28 juli 2006 heeft appellant de aan betrokkene toegekende WAO-uitkering met ingang van 26 september 2006 ingetrokken.

1.2. Bij besluit van 9 februari 2007 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 28 juli 2006 in zoverre gegrond verklaard dat betrokkene per 26 september 2006 onveranderd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt wordt geacht en dat haar uitkering ingaande 18 maart 2007 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.3. Tegen het besluit van 9 februari 2007 heeft betrokkene beroep ingesteld. Ter onderbouwing van haar beroep heeft zij een medische expertise van de plastisch chirurg G.J. Sonneveld van 12 oktober 2006 de rechtbank doen toekomen

1.4. Vervolgens heeft de rechtbank de revalidatiearts dr. C.H. Emmelot benoemd tot deskundige voor het instellen van een onderzoek. Met een rapport van 13 november 2007 heeft dr. Emmelot verslag uitgebracht van zijn onderzoek.

1.5. Op basis van dit rapport heeft een bezwaarverzekeringsarts de ten aanzien van betrokkene opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aangepast door onder item 4.23 “overige beperkingen van het dynamisch handelen” een beperking aan te nemen voor langdurige handelingen met de rechterhand, waarbij bovendien kracht gezet moet worden. Een bezwaararbeidsdeskundige heeft in overleg met de bezwaarverzekeringsarts op basis van de aangepaste FML de aan betrokkene voorgehouden functies beoordeeld. Van de oorspronkelijk in aanmerking genomen functies resteren er drie. Met het vervullen van deze functies kan betrokkene een zodanig inkomen verwerven dat zij voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd.

1.6. Aan dr. Emmelot heeft de rechtbank de reacties van partijen op zijn rapport voorgelegd. Bij brief van 22 augustus 2008 heeft hij de rechtbank laten weten dat in zijn visie een beperking had moeten worden aangenomen onder item 4.3 “hand- en vingergebruik”. In reactie hierop heeft de bezwaarverzekeringsarts in een rapportage van 29 september 2008 gesteld dat item 4.3 uitsluitend bedoeld is voor het aangeven van ernstige beperkingen met betrekking tot het hand- en vindergebruik in het dagelijks leven.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met beslissingen over proceskosten en griffierecht het beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 februari 2007 vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.2. Bij haar uitspraak, waarin appellant is aangeduid als verweerder en betrokkene als eiseres, heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“Blijkens zijn rapport van 13 november 2007 heeft de door de rechtbank benoemde deskundige Emmelot vastgesteld dat bij eiseres ten tijde in geding sprake was van een complex regionaal pijnsyndroom type I en II, alsmede van de gevolgen van disuse. Daarnaast is de functie van de arm beperkt op basis van een supraspinatus syndroom. De deskundige heeft aangegeven niet geheel te kunnen instemmen met de door verweerder vastgestelde belastbaarheid van eiseres. Hij acht eiseres (meer) beperkt voor hand- en vingergebruik als onderdeel van dynamische handelingen aangezien er sprake is van een allodynie, een hyperpathie en verminderde kracht in de handmusculatuur. Eiseres dient als licht beperkt te worden aangemerkt. De deskundige heeft aangegeven twijfel te hebben omtrent de haalbaarheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde (deel)functies van inpakker en kippenslachter. Dit omdat hij eiseres meer beperkt acht ten aanzien van hand- en vingergebruik, waarbij hij heeft verwezen naar item 4.3 van de FML.

De bezwaarverzekeringsarts heeft daarop aangegeven zich te kunnen verenigen met de uitkomsten van het deskundigenonderzoek en de FML conform de aanbevelingen te zullen aanpassen. Blijkens de aangepaste FML heeft de bezwaarverzekeringsarts de FML evenwel niet aangescherpt op het item 4.3 `hand- en vingergebruik', doch uitsluitend op het item 4.23 `overige beperkingen van het dynamisch handelen', waarbij hij heeft aangegeven `1 specifieke overige beperkingen' met als toelichting 'geen langdurige handelingen met de rechterhand, waarbij bovendien kracht gezet moet worden'. In zijn reactie van 21 februari 2008 heeft de bezwaarverzekeringsarts toegelicht dat item 4.3. betrekking heeft op hand- en vingergebruik in het dagelijks leven, terwijl de deskundige blijkens zijn rapport (extra) beperkingen aanwezig acht ten aanzien van de belasting in arbeid, welke hun weerslag dienen te krijgen onder item 4.23 van de FML.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft na overleg met de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat de belastingeisen van de geduide functies ook voldoen aan de aangepaste FML, met dien verstande dat binnen de sbc-code 271070 (vleeswarenmaker, slachter en visverwerker) de functie van 'medewerker inpak helen' komt te vervallen. De overgebleven deelfunctie productiemedewerker pluimveeslachterij vertegenwoordigt echter voldoende arbeidsplaatsen om deze sbc-code to handhaven. Verweerder heeft om die reden in het rapport van de deskundige geen aanleiding gezien zijn standpunt te wijzigen. Na kennis te hebben genomen van de reactie van verweerder, heeft de deskundige zijn standpunt dat eiseres meer beperkt zou moeten worden geacht ten aanzien van hand- en vingergebruik gehandhaafd. Daarbij heeft hij aangegeven dat de reden waarom de beperking is aangegeven onder punt 4.3 van de FML samenhangt met het gegeven dat eiseres ook in het dagelijks leven klachten van de hand heeft en hierdoor beperkt is in het gebruik ervan ongeacht de mate waarin en ongeacht of met de hand kracht wordt gezet of niet. De rechtbank ziet geen aanleiding om het deskundigenoordeel niet te volgen. De deskundige heeft in zijn rapport gemotiveerd aangegeven dat eiseres meer (namelijk licht) beperkt moet worden geacht op item 4.3 hand- en vingergebruik. Deze conclusie heeft hij, in reactie op verweerders aanpassing van de FML op het item 4.23, gehandhaafd en nog eens nader toegelicht. Verweerders standpunt dat met de aanpassing van de FML op het item 4.23 voldoende is tegemoetgekomen aan het oordeel van de deskundige, wordt door de rechtbank derhalve niet onderschreven.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de gezondheidstoestand van eiseres en de daaruit voortvloeiende beperkingen ten aanzien van haar arbeidsvermogen op de in geding zijnde datum 18 maart 2007 niet geheel juist heeft ingeschat, althans niet op de juiste wijze heeft weergegeven in de FML. Nu de aangepaste FML geen juist beeld geeft van de arbeidsmogelijkheden van eiseres op de in geding zijnde datum, is verweerders op basis van deze FML gehandhaafde conclusie dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, ondanks de gerede twijfel van de deskundige, passend kunnen worden geacht, onvoldoende gemotiveerd.”

3.1. Appellant is in hoger beroep gekomen omdat hij zich niet kan vinden in het oordeel van de rechtbank dat een beperking had moet worden aangenomen onder item 4.3. in de FML. Daarbij is herhaald het standpunt zoals dat in eerste aanleg is verwoord in de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 29 september 2008.

3.2. Na de zitting van 22 januari 2010 heeft de Raad dr. Emmelot gevraagd of naar zijn mening betrokkene in het licht van zijn bevindingen de functies van portier/toezichthouder (Sbc-code 342021), inpakker (Sbc-code 111190) en vleeswarenmaker (Sbc-code 271070 met functienummer 2015-0039-003) kan vervullen.

3.3. Bij brief van 21 juni 2010 heeft dr. Emmelot aangeven dat betrokkene de functies van portier/toezichthouder en inpakker kan vervullen, maar niet de functie van vleeswarenmaker. Naar zijn inschatting zal bij de functie van vleeswarenmaker de belastbaarheid meer en sneller worden overschreden.

3.4. Naar aanleiding van deze brief heeft het Uwv de Raad doen toekomen een rapportage van een bezwaararbeidsdeskundige van 1 juli 2010.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. In zijn vaste rechtspraak ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten en omstandigheden waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken, is de Raad niet gebleken. Feiten en omstandigheden als evenbedoeld acht de Raad niet gelegen in de reactie van de bezwaararbeidsdeskundige van 1 juli 2010. De Raad wijst er hierbij op dat dr. Emmelot in zijn rapport van 13 november 2007 heeft aangegeven dat betrokkene beperkingen ondervindt op het gebied van de handfunctie en het langdurig positioneren van de hand in de ruimte. Anders dan de bezwaararbeidsdeskundige in zijn reactie van 1 juli 2010 heeft gesteld, gaat het dus niet uitsluitend om langdurige handelingen met de rechterhand waarbij bovendien kracht moet worden gezet.

4.3. Op grond van het vorenstaande stelt de Raad vast dat er onvoldoende functies resteren, namelijk slechts twee. Dit betekent dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De vraag onder welk item in de FML de door dr. Emmelot aangegeven beperking dient te worden weergegeven, behoeft dan ook geen bespreking.

4.4. De Raad stelt voorts vast dat binnen de Sbc-code 271070 al in bezwaar een functie was komen te vervallen en vervolgens naar aanleiding van het rapport van dr. Emmelot nog één. De Raad houdt het er dan ook voor dat binnen deze Sbc-code geen functies te duiden zijn. In het licht hiervan acht de Raad termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuurecht zelf in de zaak te voorzien door de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 18 maart 2007 vast te stellen op 80 tot 100%.

5. Voorts acht de Raad termen aanwezig appellant te veroordelen in de door betrokkene voor verleende rechtsbijstand gemaakte proceskosten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij appellant is opgedragen een nieuw besluit te nemen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Stelt de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 18 maart 2007 vast op 80 tot 100%;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag groot € 644,-;

Bepaalt dat van appellant een recht wordt geheven van € 433,-.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J.W. Schuttel en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.L. de Gier.

CVG