Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1813

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2010
Datum publicatie
29-10-2010
Zaaknummer
08-4829 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijstand buiten behandeling gesteld omdat de gevraagde stukken niet binnen de - verlengde - hersteltermijn zijn ingeleverd. Het gaat hierbij om bescheiden waarover appellant redelijkerwijs de beschikking had, dan wel had kunnen krijgen. De omstandigheid dat het College naar aanleiding van een nieuwe aanvraag aan appellant met ingang van 7 september 2007 bijstand heeft toegekend is daarbij niet van belang, omdat appellant bij de nieuwe aanvraag de bankafschriften over de drie maanden voorafgaande aan die aanvraag wel heeft ingeleverd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4829 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2007 (lees: 2008), 07/4340 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 26 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Mekke, destijds advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 31 augustus 2010 heeft mr. L.M. van den Ende, advocaat te Purmerend, de Raad bericht mr. Mekke te vervangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2010. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.M. Diderich, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij besluit van 24 juli 2007 heeft het College met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de aanvraag van appellant om algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) buiten behandeling gesteld omdat hij niet binnen de - verlengde - hersteltermijn tot en met 2 juli 2007 de gevraagde stukken, waaronder de afschriften van zijn bankrekening over de periode van 21 februari 2007 tot en met 21 mei 2007, heeft ingeleverd. Bij besluit van 11 oktober 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 24 juli 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 oktober 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2. De Raad is allereerst van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de bankafschriften over de laatste drie maanden voorafgaande aan de aanvraag van de bijstand van belang zijn voor een goede beoordeling van appellants financiële positie en daarmee van zijn recht op bijstand. Hij is voorts van oordeel dat het hierbij gaat om bescheiden waarover appellant redelijkerwijs de beschikking had, dan wel had kunnen krijgen, zodat het College overlegging ervan van appellant mocht verlangen. Vast staat dat appellant geen bankafschriften over de periode van 21 februari 2007 tot en met 21 mei 2007 heeft overgelegd. Hoewel appellant, zoals op 5 juli 2007 is gerapporteerd, telefonisch heeft bericht dat hij kopieën van bankafschriften heeft opgevraagd bij de DHB Bank, heeft hij dergelijke kopieën niet ingezonden. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College bevoegd was de aanvraag van appellant buiten behandeling te laten. Ook de Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De omstandigheid dat het College naar aanleiding van een nieuwe aanvraag aan appellant met ingang van 7 september 2007 bijstand heeft toegekend is daarbij niet van belang, omdat appellant bij de nieuwe aanvraag de bankafschriften over de drie maanden voorafgaande aan die aanvraag wel heeft ingeleverd.

4.3. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2010.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) C. de Blaeij.

HD