Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1657

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2010
Datum publicatie
26-10-2010
Zaaknummer
10-1433 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Zorgvuldig en volledig medisch onderzoek. Geen toename van beperkingen. Geen benoeming deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1433 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudig kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 januari 2010, 09/2993 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. W.G.M. Vos, advocaat te Roosendaal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.B. Snoek.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met vermelding van het volgende.

1.1. Op de aanvraag van appellante om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 29 mei 2006, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 oktober 2006, afwijzend beslist, omdat appellante per 20 maart 2006 minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellante heeft tegen het besluit van 4 oktober 2006 geen beroep ingesteld.

1.2. Appellante heeft zich op 2 maart 2009 tot het Uwv gewend wegens toegenomen klachten over haar gezondheid. Bij besluit van 20 maart 2009 heeft het Uwv geweigerd appellante in aanmerking te brengen voor een Wet WIA-uitkering, omdat geen sprake is van toegenomen beperkingen vanuit dezelfde ziekteoorzaak. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 mei 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat het onderzoek van de verzekeringsartsen onzorgvuldig of onvolledig is geweest. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het medisch standpunt van het Uwv voor onjuist te houden.

3. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medisch onderzoek onzorgvuldig is, mede omdat de (bezwaar)verzekeringsarts heeft nagelaten informatie in te winnen bij de behandelend artsen. Zij heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De medische grondslag van het bestreden besluit steunt met name op het rapport van verzekeringsarts Chr.A.M. Zwiers-Jonker van 19 maart 2009. Zwiers-Jonker heeft bij appellante een anamnese afgenomen, een lichamelijk onderzoek en een onderzoek psyche verricht en het dossier bestudeerd, waaronder de aanwezige medische gegevens afkomstig van de behandelend artsen. Zij heeft van haar bevindingen uitvoerig verslag gedaan en geconcludeerd dat op grond van haar onderzoek gesteld moet worden dat er geen sprake is van toename van beperkingen. Bezwaarverzekeringsarts P.M.I.E. van Thillo-Nadels heeft appellante op de hoorzitting gesproken en het dossier bestudeerd. In haar rapport van 11 mei 2009 overweegt Van Thillo-Nadels dat de conclusie van Zwiers-Jonker logisch volgt uit de anamnese en de onderzoeksbevindingen. Ook de medicatie en de inhoud van de behandelingen wijzen niet op een toename van beperkingen. Naar haar mening is met de door appellante aangegeven klachten en de geobjectiveerde afwijkingen in voldoende mate rekening gehouden. Van Thillo-Nadels concludeert dat de bezwaren van appellante geen aanleiding geven tot herziening van het medisch oordeel van

Zwiers-Jonker.

4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er geen grond is om het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medisch onderzoek onvolledig of onzorgvuldig te achten. De Raad ziet in de rapporten van de verzekeringsartsen een genoegzame en draagkrachtige onderbouwing van het door het Uwv ingenomen standpunt dat van een toename van beperkingen geen sprake was. Voor het standpunt van appellante dat de verzekeringsartsen inlichtingen hadden moeten inwinnen bij haar behandelend artsen, ziet de Raad geen reden. In de eerste plaats overweegt de Raad in dit verband dat, naar ook door van Thillo-Nadels in haar rapport wordt opgemerkt, reeds voldoende medische informatie aanwezig was. Voorts wijst de Raad op zijn vaste rechtspraak, onder meer zijn uitspraken van 16 september 2003, LJN AO0093, en 5 september 2008, LJN BF0076, dat een verzekeringsarts in beginsel op zijn of haar eigen oordeel mag afgaan. Van omstandigheden om in dit geding van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Uit het voorgaande volgt tevens dat de Raad geen aanleiding ziet een deskundige te benoemen.

4.3. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Mostert.

IvR