Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1651

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2010
Datum publicatie
26-10-2010
Zaaknummer
10-1459 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling aanvang Wajong-uitkering. Geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1459 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 29 januari 2010, 09/249 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H.J.A. Wesselink, advocaat te Gorinchem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2010. Namens appellant is mr. Wesselink verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P.C.M. Huyzer.

II. OVERWEGINGEN

1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

2. Appellant, geboren op 5 augustus 1984, heeft op 27 maart 2006 een Wajong-uitkering aangevraagd. Bij besluit op bezwaar van 1 februari 2007 heeft het Uwv het bewaar tegen het besluit van 4 augustus 2006, waarin het Uwv appellant per 27 maart 2005 een uitkering ingevolge de Wajong heeft toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is er geen sprake van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong, en kan de uitkering niet eerder worden toegekend dan een jaar voor de aanvraag. Tegen dit besluit heeft appellant geen beroep ingesteld.

3.1. Appellant heeft op 9 juni 2008 verzocht om herziening van het besluit van 4 augustus 2006. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft appellant visitegegevens van zijn huisarts overgelegd over de periode van 21 maart 1989 tot en met 1 juni 2006.

3.2. Bij besluit van 24 juni 2008 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit van 4 augustus 2006, omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die er toe leiden dat laatstgenoemd besluit onjuist zou zijn. Eerstgenoemd besluit is in bezwaar door het Uwv met zijn besluit van 21 januari 2009 (bestreden besluit) gehandhaafd.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De door appellant aangevoerde gronden dat het Uwv een verzwaarde informatieplicht had, dat de gegevens met betrekking tot de Ziektewetbeoordeling volgens appellant ten onrechte niet zijn meegewogen, het beroep op artikel 14 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en zijn stelling dat hij een grote schuldenlast heeft, zijn naar het oordeel van de rechtbank al eerder aan bod gekomen bij het bezwaar tegen het besluit van 4 augustus 2006 of hadden al eerder naar voren gebracht kunnen worden. Wat betreft het journaal van zijn huisarts is de rechtbank van oordeel dat dit geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid betreft omdat de gestelde diagnose schizofrenie op geen enkele wijze is onderbouwd.

5. Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak en heeft hoger beroep ingesteld. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een brief overgelegd van De Grote Rivieren, van sociaal psychiatrisch verpleegkundige J.A.G. van Schijndel van 26 mei 2010.

6.1. De Raad oordeelt als volgt.

6.2. In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

6.3. Desgevraagd is ter zitting namens appellant aangegeven dat als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in hoger beroep alleen nog wordt aangevoerd dat hij vanwege schizofrenie niet tijdig een aanvraag kon indienen ingevolge de Wajong. De overige door appellant aangevoerde argumenten moeten alle begrepen worden in het licht van deze stelling.

6.4. De Raad is van oordeel dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Uit de visitegegevens van zijn huisarts is geenszins op te maken dat ten opzichte van de in het kader van het besluit van 4 augustus 2006 gemaakte beoordeling nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aanwezig zijn. De enkele vermelding “Schizofrenie in alle vormen” bovenaan de visitegegevens van de huisarts kan niet als zodanig worden aangemerkt, reeds omdat deze vermelding op geen enkele wijze met medische gegevens is onderbouwd. Daarnaast is destijds bij de Wajong-beoordeling met de psychische klachten van appellant reeds rekening gehouden. De enkele omstandigheid dat ter zake van die klachten inmiddels een - overigens niet onderbouwde - diagnose is gesteld, levert geen nieuw feit of veranderde omstandigheid op als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. De door appellant in hoger beroep overgelegde brief van De Grote Rivieren, van sociaal psychiatrisch verpleegkundige J.A.G. van Schijndel van 26 mei 2010, kan reeds geen gewicht in de schaal leggen nu deze brief niet aan het Uwv ter beschikking stond bij het nemen van het bestreden besluit.

6.5. Ten aanzien van het overige door appellant aangevoerde is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat dit argumenten zijn die in het kader van een bezwaarschriftprocedure tegen het besluit van 4 augustus 2006 naar voren gebracht zijn of naar voren hadden kunnen worden gebracht en derhalve evenmin kunnen worden aangemerkt als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb.

6.6. Het Uwv was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, de aanvraag af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 4 augustus 2006. In hetgeen door appellant is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Mostert.

NW