Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1621

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2010
Datum publicatie
25-10-2010
Zaaknummer
09-6754 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. De arbeidsongeschiktheid waarvan appellante uitkering verlangt komt voort uit een andere oorzaak dan de ziekte-oorzaak op grond waarvan zij voorafgaand aan 7 januari 2003 ongeschikt was voor haar arbeid. Het door de rechtbank aangelegde criterium “afdoende aannemelijk” is niet in overeenstemming is met de in de jurisprudentie neergelegde causaliteitseis.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 43a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6754 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 november 2009, 09/1808 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.G.P. de Wit, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2010.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Wit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. de Rooy.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar van het Uwv van 2 februari 2009, waarbij het Uwv – heeft gehandhaafd zijn besluit appellante geen WAO-uitkering toe te kennen met inachtneming van een wachttijd van vier weken (de zogenoemde Amber-regeling) aangezien de toegenomen beperkingen voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak.

1.2. De rechtbank heeft in de eerste plaats vastgesteld dat het Uwv een eerdere aanvraag van appellante haar een WAO-uitkering toe te kennen heeft afgewezen omdat zij per 7 januari 2003 minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Na bezwaar en beroep is dit besluit in stand gebleven. Appellante heeft geen hoger beroep ingesteld.

1.3. Met betrekking tot de aanvraag van appellante van 10 juli 2008 om haar per medio 2006 een WAO-uitkering toe te kennen wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van dezelfde klachten als waarvoor zij destijds een uitkering heeft aangevraagd, heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv afdoende aannemelijk heeft gemaakt dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak. In zijn rapportage van 17 juli 2003 heeft de gezondheidszorgpsycholoog J.W.G.M. van Soest bij appellante een somatoforme pijnstoornis vastgesteld. De verzekeringsarts heeft op basis van zijn onderzoeksbevindingen op 22 augustus 2008 gerapporteerd dat appellante medio 2006 is uitgevallen op grond van klachten gerelateerd aan een paniekstoornis met agorafobie en een obsessieve-compulsieve stoornis, waarvoor zij sinds november 2007 wordt behandeld. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding te veronderstellen dat deze klachten in januari 2003 al aanwezig waren.

2.1. Appellante stelt zich in hoger beroep primair op het standpunt dat ingevolge jurisprudentie van de Raad (o.m. LJN AP0012 en LJN BH1047) op het Uwv de bewijslast rust om “buiten enige twijfel” te onderbouwen dat er sprake is van een andere ziekteoorzaak. De overweging van de rechtbank dat het Uwv “afdoende aannemelijk” zou hebben gemaakt dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellante niet zou voortvloeien uit dezelfde oorzaak is daarmee niet in overeenstemming.

2.2. Subsidiair stelt appellante dat, voor zover op haar al enige bewijslast rust, zij voldoende medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de toegenomen klachten wel degelijk voortvloeien uit de klachten die zijn ontstaan bij de bevalling van haar oudste kind, geboren op 1 juli 2002 en die derhalve eveneens bestonden per 7 januari 2003 toen haar recht op een WAO-uitkering destijds werd beoordeeld.

3. De Raad heeft het volgende overwogen.

3.1. Ingevolge artikel 43a, eerste lid van de WAO, voor zover hier van belang, kan toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge die wet plaatsvinden, indien degene, die aan het einde van de zogeheten wachttijd van 52 weken arbeidsongeschikt was in de zin van de Ziektewet maar geen recht had op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was in de zin van de WAO, binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van die wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken.

3.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, zoals bijvoorbeeld neergelegd in zijn uitspraak van 20 april 2004 (LJN AP0012), brengt uitleg van de in 43a, eerste lid, onder b, van de WAO vervatte causaliteitseis mee dat de bewijslast in beginsel rust op degene die het standpunt huldigt dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de eerdere en latere uitval. Het is in dit geval dan ook aan het Uwv om gegevens aan te dragen die buiten twijfel stellen dat er van enig oorzakelijk verband tussen beide arbeidsongeschiktheidsgevallen geen sprake is. Ter beoordeling staat of het bestreden besluit steunt op voldoende (medische) gegevens die het ontbreken van genoemd verband aantonen.

3.3.1. Aan de rapportage van 17 juli 2003, opgesteld door de psycholoog Van Soest op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts J.W. Jeensma in het kader van de beoordeling van het recht op WAO na het einde van de wachttijd van 52 weken, ontleent de Raad het volgende: “De onderzochte vertoont tijdens het onderhavige onderzoek geen psychopathologisch gedrag. Er is geen sprake van angst, agressie, achterdocht of ergernis. Wel is onderzochte zeer passief en antwoordt ze in het merendeel van de vragen met: “Dat weet ik niet.

De onderzoeker heeft vragen over de authenticiteit van de klachten. Ze komt theatraal en manipulatief over, echter onvoldoende om van een persoonlijkheidsstoornis te spreken. Wegens het gebrek aan medewerking door de onderzochte blijft het zicht op ziekmakende factoren en de redenen daarvoor beperkt. Harde conclusies kunnen daarom niet getrokken worden. De beantwoording van de vragen moet daarom als hypothetisch opgevat worden. In DSM IV termen kan gesproken worden van:

As I somatoforme pijnstoornis

As II geen stoornis, wel theatrale trekken

As III migraine

As IV acculturalisatieproblematiek

As V GAF = 70

De onderzochte geeft aan dat haar problemen na de bevalling zijn ontstaan. De bevalling zelf verliep zonder complicaties. Er zijn nadien geen psychotische verschijnselen geweest en het kind was gewenst door beide ouders. Er is derhalve geen directe relatie tussen de geboorte van het kind en de klachten van de onderzochte te leggen.

Waarschijnlijk is de onderzochte gebaat met halve dagen werk. Daardoor neemt ze de verantwoording voor haar eigen leven.”

3.3.2. Voorts neemt de Raad in aanmerking dat appellante zich op 10 juli 2008 tot het Uwv heeft gewend met de melding van een verslechterde gezondheid sinds medio 2006. De verzekeringsarts rapporteert op 3 september 2008 dat appellante heeft aangegeven dat bij haar sinds medio 2006 andere klachten zijn ontwikkeld in de vorm van paniekstoornis met agorafobie en obsessieve-compulsieve klachten en nekklachten na het overlijden van een verwante. Appellante is in verband met deze klachten vanaf november 2007 onder behandeling van PsyQ. De verzekeringsarts concludeert dat het gezien de onderzoeksbevindingen niet aannemelijk is dat de afname van benutbare mogelijkheden in overwegende mate voortvloeit uit dezelfde ziekteoorzaken. Amber is dan ook niet van toepassing.

3.3.3.Aan de gemachtigde van appellante kan worden toegegeven dat het door de rechtbank aangelegde criterium “afdoende aannemelijk” niet in overeenstemming is met de in de jurisprudentie gestelde causaliteitseis. Echter, uitgaande van de in 3.3.1 en 3.3.2 geschetste omstandigheden, daarbij mede in aanmerking genomen dat appellante ook in hoger beroep geen (nieuwe) medische gegevens heeft ingebracht die steun zouden kunnen verlenen aan haar opvatting, komt de Raad tot de slotsom dat buiten twijfel staat dat de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan appellante uitkering verlangt voortkomt uit een andere oorzaak dan de ziekte-oorzaak op grond waarvan zij voorafgaand aan

7 januari 2003 ongeschikt was voor haar arbeid.

3.4. Het hoger beroep van appellante treft dan ook geen doel. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop zij berust, te worden bevestigd.

3.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.L. de Gier.

CVG