Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1602

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-10-2010
Datum publicatie
26-10-2010
Zaaknummer
10-1015 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anticumulatie. De fiscale bijtelling van de door appellant gebruikte dienstauto’s staat voldoende vast. Geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering op de regel rechtvaardigen. De bijtelling dient als inkomsten uit arbeid te worden aangemerkt. Geen ongeoorloofde pressie tijdens de verhoren. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er sprake is van een bijzonder geval op basis waarvan de nettowinst over het jaar 2004 kan worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1015 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 januari 2010, 09/2739 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kuit. Het Uwv heeft zich – met voorafgaand bericht – niet laten vertegenwoordigen. Het geding is gevoegd behandeld met het geding, geregistreerd onder het nummer 09/5793 WAO, waarin heden afzonderlijk uitspraak is gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 20 juni 2005 is de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die vanaf 6 december 1999 is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, ten aanzien van drie periodes met toepassing van artikel 44 van de WAO geanticumuleerd in verband met inkomsten uit arbeid.

2.1. Over de periode van 1 januari 2001 tot 1 januari 2002 is vastgesteld dat appellant wordt uitbetaald als ware hij arbeidsongeschikt, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2.2. Met betrekking tot de periode van 1 januari 2003 tot 2 juni 2003 is bepaald dat appellant wordt uitbetaald als ware hij arbeidsongeschikt, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

2.3. Tot slot bepaalt het besluit van 20 juni 2005 dat de WAO-uitkering over 2004, die voordien al was herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, niet tot uitbetaling komt.

3. Tegen het besluit van 20 juni 2005 heeft appellant bezwaar gemaakt, hetgeen bij besluit van 1 februari 2006 ongegrond is verklaard. Tegen het laatstgenoemde besluit is beroep ingesteld. Bij haar uitspraak van 20 juli 2006 heeft de rechtbank het besluit van 1 februari 2006 vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Uwv zodoende opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Hiertoe heeft zij overwogen dat het Uwv niet heeft onderzocht noch heeft vastgesteld of appellant daadwerkelijk zelf inkomsten heeft genoten. Evenmin is onderzocht of er sprake is van een bijzonder geval waardoor de inkomsten aan appellant kunnen worden toegerekend. De rechtbank heeft verder overwogen dat de fiscale bijtelling van de auto’s voldoende vaststaat en dat uit de stukken voldoende is gebleken dat appellant in een bepaalde periode de eigenaresse [E.] heeft geholpen met haar bedrijf. Naar het oordeel van de rechtbank is uit de stukken evenwel niet gebleken of appellant hiermee inkomsten heeft verworven en zo ja, hoeveel, noch of appellant in de door het Uwv beoordeelde periode deze werkzaamheden fulltime voor [E.] heeft verricht.

4. Bij besluit van 29 juni 2009 heeft het Uwv de bezwaren van appellant met betrekking tot de anticumulatie van zijn WAO-uitkering over het jaar 2001 gegrond verklaard. Voor het overige heeft het Uwv zijn besluit van 20 juni 2005, als weergegeven in de overwegingen 2.2 en 2.3 gehandhaafd.

5.1. Voor die periode die loopt van 1 januari 2003 tot 2 juni 2003 heeft de rechtbank in de thans aangevallen uitspraak vastgesteld dat het Uwv bij zijn besluit van 29 juni 2009 heeft gesteld dat appellant inkomsten uit arbeid heeft genoten, bestaande uit een fiscale bijtelling van € 15.088,25 voor het privégebruik van dienstauto’s minus het door [naam bedrijf] geleden verlies van € 56,26. Bij haar uitspraak van 20 juli 2006 heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud overwogen dat deze fiscale bijtelling voldoende vaststaat. Nu appellant moet worden gehouden aan de door hem terzake gemaakte fiscale keuze, dient het bedrag van € 15.088,25 als ‘inkomsten uit arbeid’ te worden aangemerkt. De juistheid van de in dit verband door het Uwv gemaakte berekeningen, neergelegd in de rapportage van arbeidsdeskundige J. Welling van

17 juni 2005, is op zichzelf door appellant niet betwist. De rechtbank heeft ook geen reden gezien die berekeningen voor onjuist te houden. Hierbij heeft de rechtbank voorts in aanmerking genomen dat het Uwv bij deze berekening om technische redenen in het voordeel van appellant uit is gegaan van een volledige werkweek.

5.2. Ten aanzien van het jaar 2004 heeft het Uwv de inkomsten uit arbeid, in dit geval bestaande uit de netto bedrijfswinst van [naam bedrijf] en een fiscale bijtelling voor het privégebruik van dienstauto’s vastgesteld op € 23.294,66 respectievelijk

€ 13.277,66. Aangaande de fiscale bijtelling van de auto’s moet – gelet op het eerdere oordeel van de rechtbank in haar uitspraak van 20 juli 2006 dat deze bijtelling voldoende vaststaat – worden geconcludeerd dat appellant over 2004 daadwerkelijk zelf inkomsten uit arbeid heeft genoten in de zin van artikel 44 van de WAO. Met betrekking tot de winst van [naam bedrijf] heeft de rechtbank bij haar uitspraak van 20 juli 2006 reeds eerder uitdrukkelijk en zonder voorbehoud vastgesteld dat uit de stukken voldoende is gebleken dat appellant in deze periode [E.] heeft geholpen met haar bedrijf, maar dat uit de stukken niet volgt dat appellant hiermee daadwerkelijk zelf inkomsten heeft verworven. De vraag of er sprake is van een bijzonder geval heeft de rechtbank evenwel bevestigend beantwoord. Gelet op de verklaring van appellant dat hij in het jaar 2004 eigenlijk alles in [naam bedrijf] heeft gedaan, gelet op de aard van de werkzaamheden – te weten het inkopen en verkopen van shawls, kleding en stoffen en het leggen en onderhouden van contacten met leveranciers en klanten –, gelet op de verklaring van appellant dat hij volledig gemachtigd was te beschikken over de rekening van [naam bedrijf] en gelet op de nettowinst van [naam bedrijf] in 2004, is de rechtbank van oordeel dat appellant in 2004 arbeid van economische betekenis heeft verricht met een aantoonbare loonwaarde die aan appellant toegerekend moeten worden.

5.3. De rechtbank heeft het beroep aldus ongegrond verklaard.

6. Appellant keert zich tegen de aangevallen uitspraak. In verband met de fiscale bijtelling van de auto’s stelt hij zich op het standpunt dat dit een constructie betreft op grond waarvan hij enkel fictieve inkomsten heeft genoten. Met betrekking tot de voor 2004 vastgestelde nettowinst en de in dat kader door appellant afgelegde verklaring dat hij in dat jaar alles in [naam bedrijf] heeft gedaan, stelt appellant thans dat daarvan in het geheel geen sprake is. Gedurende het verhoor is hij echter dusdanig onder druk gezet dat hij deze – niet met de werkelijkheid overeenkomende – verklaring heeft afgelegd. De nettowinst mag dan ook niet aan appellant worden toegerekend.

7.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

7.2. Met de rechtbank stelt de Raad vast dat de rechtbank in haar uitspraak van 20 juli 2006 reeds uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft overwogen dat de fiscale bijtelling van de door appellant gebruikte dienstauto’s voldoende vast staat. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat men in beginsel is gehouden aan een fiscale keuze, in dit geval de bijtelling (zie onder meer zijn uitspraken van 29 oktober 2008, LJN BG3639, en 24 maart 2010, LJN BL8865). Van die keuze kan slechts worden afgeweken in het geval er sprake is van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen. Hiervan is de Raad in het onderhavige geval niet gebleken. De bijtelling is vastgesteld op € 15.088,25 in 2003 en € 13.277,66 in 2004 en dient overeenkomstig het oordeel van de rechtbank als inkomsten uit arbeid te worden aangemerkt. Dat voornoemde bedragen geen daadwerkelijke inkomsten betreffen die door appellant zijn gegenereerd, is inherent aan deze fiscale constructie doch neemt niet weg dat het hieruit voortvloeiende voordeel als inkomsten uit arbeid dient te worden beschouwd.

7.3. Voor zover appellant stelt dat hij tijdens de verhoren onder druk is gezet en derhalve een valse verklaring heeft afgelegd, volgt de Raad hem niet. Er zijn geen aanknopingspunten om aan de juistheid van de door appellant op 10 juni 2005 afgelegde verklaring – dat hij in 2004 eigenlijk alles deed in [naam bedrijf] – te twijfelen. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat in beginsel van de juistheid van tegenover beambten belast met onderzoek naar de rechtmatigheid van uitkeringen afgelegde verklaringen mag worden afgegaan, zodat aan het intrekken daarvan of het achteraf ontkennen van het verklaarde geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Naar het oordeel van de Raad is niet aannemelijk gemaakt dat op appellant tijdens de verhoren ongeoorloofde pressie is uitgeoefend. De Raad tekent daarbij nog aan dat, zoals het Uwv in het verweerschrift aangaf, appellant niet terstond heeft verzocht om correctie van het betreffende proces-verbaal met het nummer [nummer procesverbaal], dat is opgenomen in het rapport werknemersfraude van 29 juni 2005. Voorts heeft appellant ter hoorzitting van 6 december 2005 desgevraagd niet aangegeven welke onjuistheden zijn verklaringen bevatten. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat er sprake is van een bijzonder geval op basis waarvan de nettowinst over het jaar 2004 kan worden toegerekend.

7.4. Gelet op de overwegingen 7.1 tot en met 7.3 dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM