Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1595

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2010
Datum publicatie
26-10-2010
Zaaknummer
10-1206 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toewijzing WGA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1206 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 11 januari 2010, 08/4481 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.N. Ketting, advocaat te Woerden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ketting. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.C. Röttjers.

II. OVERWEGINGEN

1. Naar aanleiding van een aanvraag van appellant om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), heeft het Uwv bij besluit van 13 juni 2008 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 14 augustus 2008 recht is ontstaan op een WGA-uitkering, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum moet worden gesteld op 35 tot 80%. Bij besluit van 17 november 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 juni 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 17 november 2008 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien de medische dan wel de arbeidskundige grondslag van de besluitvorming voor onjuist te houden.

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat hij meer beperkingen heeft dan aangenomen door het Uwv en dat de geselecteerde functies om die reden niet passend voor hem zijn.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de schatting, neergelegd in het besluit van 17 november 2008, op een juiste medische grondslag berust. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Door appellant is in hoger beroep geen informatie ingebracht die zou kunnen doen twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank.

4.2. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat noch door de primaire verzekeringsarts noch door de bezwaarverzekeringsarts bij de inschatting van zijn functionele mogelijkheden rekening is gehouden met het restless legssyndroom en de daaruit voortvloeiende vermoeidheidsklachten. De Raad verwijst naar de rapportages van de verzekeringsarts van 16 mei 2008 en van de bezwaarverzekeringsartsen van 9 oktober 2008 en 22 maart 2010 waarin aandacht is besteed aan deze klachten en waaruit blijkt dat de visie van de appellant behandelend neuroloog bij de beoordeling is betrokken.

4.3. Met betrekking tot de door appellant veronderstelde discrepantie tussen de resultaten van de lichamelijke onderzoeken van de verzekeringsarts, zoals weergegeven in de rapportage van 16 mei 2008, en van de orthopeed, zoals verwoord in de specialistenbrief van 9 maart 2007, verwijst de Raad naar de uitleg van de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 5 juli 2010. De Raad kan zich geheel vinden in die reactie.

4.4. De Raad is voorts, evenals de rechtbank, van oordeel dat de arbeidsmogelijkheden van appellant voldoende inzichtelijk zijn gemaakt in de rapportages van de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige. De bezwaararbeidsdeskundige heeft enkele van de eerder geselecteerde functies niet langer geschikt geacht in zijn rapportages van 12 februari 2009 en 15 juli 2010. Een herschikking van de vier overgebleven aan appellant voorgehouden en geschikt bevonden functiecodes heeft echter niet geleid tot indeling in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse.

4.5. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de functie produktiemedewerker waarin onvoldoende gelegenheid zou worden geboden voor afwisseling in zitten, lopen en staan acht de Raad voldoende weerlegd in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 10 augustus 2010.

4.6. Het hoger beroep van appellant slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

4.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.L. de Gier.

CVG