Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1586

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2010
Datum publicatie
25-10-2010
Zaaknummer
09-5192 WAO + 09-6017 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering van teveel ontvangen uitkering. Geen sprake van een dringende reden. Er zijn geen gronden aangevoerd die duiden op onaanvaardbaarheid voor appellante van de gevolgen van de terugvordering. Naar aanleiding van een inkomens- en vermogensonderzoek is overigens de aflossingscapaciteit door het Uwv op nihil gesteld, waardoor appellante vooralsnog niets hoeft terug te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5192 WAO

09/6017 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 3 augustus 2009, 08/1663 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.N. Foppen, werkzaam bij Arag Rechtsbijstand, gevestigd te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 10 september 2010. Appellante - met kennisgeving - en het Uwv zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 18 februari 2002 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), per 15 februari 2002 verlaagd van de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100% naar de klasse 45 tot 55%. Het Uwv heeft echter door een administratieve fout uitkering doorbetaald op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Dit heeft geleid - onder meer en voor zover van belang - tot een (terugvorderings)besluit van 12 november 2007, waarin het Uwv aan appellante heeft meegedeeld dat zij over de periode van 15 april 2002 tot en met 15 augustus 2007 teveel aan uitkering heeft ontvangen en dat een bedrag van € 14.164,49 wordt teruggevorderd.

2. Bij besluit op bezwaar van 21 april 2008 heeft het Uwv - voor zover van belang - het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit van 12 november 2007 ongegrond verklaard op de grond dat de door appellante genoemde verjaringstermijn van vijf jaar in een geval als het onderhavige niet aan de orde is en voorts geen sprake is van een dringende reden om van de terugvordering af te zien.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante gegrond verklaard, het besluit van 21 april 2008 vernietigd voor zover dit besluit betrekking heeft op de periode waarover wordt teruggevorderd in verband met het niet in acht nemen van de wettelijke verjaringstermijn van 5 jaar en het Uwv de opdracht gegeven om een nieuw besluit te nemen met veroordeling van het Uwv in de door appellante gemaakte proceskosten en betaalde griffierecht.

4.1. Appellante kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak en heeft hoger beroep ingesteld.

4.2. Het Uwv heeft berust in de aangevallen uitspraak en heeft bij besluit van 14 september 2009 het bezwaar tegen het besluit van 12 november 2007 alsnog gegrond verklaard voor zover geen rekening is gehouden met de verjaringstermijn. De periode waarover wordt teruggevorderd is gewijzigd in 12 november 2002 tot en met 15 augustus 2008 en het bedrag dat wordt teruggevorderd is dienovereenkomstig gewijzigd in

€ 12.769,57.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroep tegen het besluit van 21 april 2008 geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 14 september 2009.

5.3. Niet in geschil is dat appellante € 12.769,57 teveel heeft ontvangen aan WAO-uitkering. In hoger beroep stelt appellante zich uitsluitend op het standpunt dat dit - forse - bedrag ten onrechte van haar wordt teruggevorderd, nu duidelijk is dat het Uwv een fout heeft gemaakt bij de betaling van haar uitkering. De Raad overweegt, naar ook door de rechtbank is overwogen, dat het terugvorderen van hetgeen onverschuldigd is betaald voor het Uwv een wettelijke verplichting is waarop ingevolge artikel 57, vierde lid, van de WAO, in beginsel slechts één uitzondering mogelijk is: de dringende reden. In vaste rechtspraak heeft de Raad blijk gegeven van het oordeel dat een dringende reden slechts kan zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die terugvordering voor een verzekerde heeft.

5.4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er in het geval van appellante niet is kunnen blijken van een dringende reden die aan terugvordering in de weg staat. Hetgeen appellante naar voren doet brengen heeft betrekking op de oorzaak van de terugvordering. Er zijn geen gronden aangevoerd die duiden op onaanvaardbaarheid voor appellante van de gevolgen van de terugvordering. Naar aanleiding van een inkomens- en vermogensonderzoek is overigens de aflossingscapaciteit door het Uwv op nihil gesteld, waardoor appellante vooralsnog niets hoeft terug te betalen.

5.5. Uit hetgeen is overwogen in 5.2 tot en met 5.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5.6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 14 september 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2010.

get.) J.W. Schuttel.

get.) M. Mostert.

IvR