Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1573

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2010
Datum publicatie
25-10-2010
Zaaknummer
09-3936 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3936 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 17 juni 2009, 08/1781(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2010. Namens appellant is verschenen mr. A.C. Cornelisse, advocaat te Apeldoorn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving sedert 19 november 1991 een uitkering ingevolge onder meer de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In 2007 heeft verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek plaatsgevonden. Op grond van de bevindingen van dat onderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen in staat moet worden geacht arbeid in voor hem geschikt geachte functies te verrichten. Bij besluit van 19 december 2007 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 20 februari 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.3. Naar aanleiding van het door appellant tegen het besluit van 19 december 2007 gemaakte bezwaar heeft zenuwarts C.J.F. Kemperman op verzoek van het Uwv onderzoek gedaan naar de gezondheidstoestand van appellant en van zijn bevindingen verslag gedaan in een rapport van 9 juli 2008. Op grond van deze bevindingen heeft bezwaarverzekeringsarts G.P.J. de Kanter de met betrekking tot appellant opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op 16 juli 2008 aangepast. Bezwaararbeidsdeskundige H.F. Westerman heeft in zijn rapport van 13 augustus 2008 de arbeidskundige grondslag heroverwogen en geconcludeerd dat met inachtneming van de FML van 16 juni 2008 de functies die aan de schatting ten grondslag liggen ongewijzigd geschikt zijn voor appellant. Deze bezwaararbeidsdeskundige heeft het maatmaninkomen opnieuw vastgesteld en het verlies aan verdiencapaciteit berekend op 24,74%.

1.4. Bij besluit van 12 september 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Tevens heeft het Uwv bij dat besluit de WAO-uitkering van appellant met ingang van 16 oktober 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv de gezondheidstoestand van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen ten aanzien van zijn arbeidsvermogen niet onjuist heeft ingeschat. Niet is gebleken dat het medisch onderzoek niet met de vereiste zorgvuldigheid is uitgevoerd. De rechtbank heeft erop gewezen dat De Kanter de FML heeft aangepast, rekening houdend met de aanwijzingen van Kemperman, dan wel dat hij daarvan gemotiveerd is afgeweken. Naar het oordeel van de rechtbank biedt hetgeen door appellant is aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten om aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen te twijfelen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de door appellant geclaimde verdergaande klachten en verslechterde gezondheidssituatie niet zijn onderbouwd met medische stukken. Naar het oordeel van de rechtbank is het rapport van psychiater I.J.H. Stessel van 2 november 2005, welk rapport is uitgebracht op verzoek van de rechtbank Zutphen in het kader van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van appellant per 23 juni 2003, niet een zodanig stuk, nu dit rapport ziet op een datum in geding in 2003. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige, zoals namens appellant is verzocht.

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt gehandhaafd dat het Uwv aan het bestreden besluit een onjuiste medische beoordeling ten grondslag heeft gelegd en zijn belastbaarheid niet juist heeft weergegeven. Ten onrechte heeft de rechtbank geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen. Hij meent dat daartoe voldoende aanleiding was. De conclusies van zenuwarts Kemperman in zijn rapport van 9 juli 2008 sluiten naar het oordeel van appellant niet dan wel onvoldoende aan bij de conclusies van psychiater Stessel in diens rapport van 2 november 2005. Weliswaar heeft Kemperman ruim twee√ęnhalf jaar later gerapporteerd dan Stessel, doch appellant heeft in de betreffende periode moeten ervaren dat zijn gezondheidstoestand alleen maar verder is verslechterd en dat zijn beperkingen sedert het onderzoek door Stessel zijn toegenomen. Dat hij zijn verslechterende gezondheidssituatie niet heeft kunnen onderbouwen met medische stukken wordt veroorzaakt door het feit dat diverse hulpverleners in het verleden hebben vastgesteld dat hij onbehandelbaar is, zodat verdere behandelingen geen zin meer hebben. Appellant heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat gelet op de inhoud van het hoger beroepschrift en het verhandelde ter zitting tussen partijen uitsluitend in geschil is de medische component van de onderhavige schatting, daarvan in het bijzonder de juistheid van de FML van 16 juni 2008, en dat de arbeidskundige aspecten van deze schatting door appellant niet worden bestreden. Met betrekking tot dit laatste merkt de Raad op dat van de zijde van appellant ter zitting expliciet is verklaard dat, indien ervan zou dienen te worden uitgegaan dat de FML een juist beeld schetst van zijn belastbaarheid ten tijde van belang, de medische geschiktheid van de geduide functies door hem niet wordt bestreden. De Raad overweegt het volgende.

4.2. Met betrekking tot de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische beoordeling heeft de Raad geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven en hij stelt zich achter de overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd.

4.3. In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad geen reden gezien te twijfelen aan de juistheid van de FML van 16 juni 2008. Het rapport van Stessel van 2 november 2005 is uitgebracht ten behoeve van de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in het kader van de WAO per 23 juni 2003 en bevat geen beoordeling van de gezondheidstoestand van appellant per een latere datum. Verder heeft de Raad in de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van het van de zijde van appellant aangevoerde standpunt dat appellant voor zijn (psychische) klachten onbehandelbaar is gebleken. Met het Uwv, zoals uiteengezet in het verweerschrift, is de Raad van oordeel dat in het licht van het geheel van de omtrent appellant beschikbare medische gegevens, waaronder het rapport van Kemperman van 9 juli 2008, niet kan worden geoordeeld dat die gestelde onbehandelbaarheid zou moeten worden toegeschreven aan de psychische problematiek van appellant. Ook uit de overige medische gegevens blijkt niet dat het niet nakomen door appellant van zijn afspraken te herleiden is naar de bij hem vastgestelde psychische beperkingen. Uit het voorgaande vloeit voort dat de Raad, evenals de rechtbank, geen aanleiding heeft gezien voor het benoemen van een deskundige.

4.4. Uit hetgeen is overwogen in 4.1, 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter, in tegenwoordigheid van

M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Mostert.

KR