Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1563

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2010
Datum publicatie
26-10-2010
Zaaknummer
09-2699 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een uitkering ingevolge Wet WIA. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2699 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudig kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 7 april 2009, 07/4205 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. W.G.M. Vos, advocaat te Roosendaal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.B. Snoek.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Op de aanvraag van appellante om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 29 mei 2006, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 oktober 2006, afwijzend beslist, omdat appellante per 20 maart 2006 minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellante heeft tegen het besluit van 4 oktober 2006 geen beroep ingesteld.

1.2. Appellante heeft bij brief van 10 mei 2007 het Uwv verzocht terug te komen van het besluit van 29 mei 2006 respectievelijk 4 oktober 2006. Bij besluit van 13 juni 2007 heeft het Uwv het verzoek van appellante afgewezen. Het door appellante tegen het besluit van 13 juni 2007 gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 27 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv neemt onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het standpunt in dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht. De door appellante overgelegde informatie biedt volgens het Uwv geen nieuwe gezichtspunten ten aanzien van haar medische situatie op 20 maart 2006.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat er sprake is van nova die meebrengen dat het Uwv dient terug te komen van het besluit dat zij met ingang van 20 maart 2006 geen recht heeft op een Wet WIA-uitkering. Daarbij heeft zij wederom gewezen op de door haar bij haar verzoek en in bezwaar overgelegde stukken.

4.1. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat hetgeen appellante ter onderbouwing van haar verzoek heeft aangevoerd niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb kan worden aangemerkt. Het rapport van de klantmanager van de sociale dienst van 21 maart 2006 was al bekend of kon redelijkerwijs bekend zijn ten tijde van de besluitvorming over het recht van appellante op een Wet WIA-uitkering per 20 maart 2006. Het door de arts T. Hupkens in het kader van de aanspraken van appellante op een bijstandsuitkering opgemaakte verslag van het spreekuur van 20 februari 2007 is weliswaar een nieuw stuk, doch het daarin vervatte medisch oordeel van die arts over de belastbaarheid van appellante voor arbeid is niet terug te voeren op nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, maar moet uitsluitend worden begrepen als een nadere beschouwing en beoordeling door die arts van de reeds bekende feiten en omstandigheden. Ook het rapport van de klantmanager van 13 maart 2007 is op zichzelf een nieuw stuk, maar bevat geen relevante medische gegevens. De in bezwaar overgelegde ongedateerde verklaring van de behandelend psychiater F. Lanssens is op zichzelf beschouwd eveneens nieuw, doch bevat naar zijn inhoud bezien evenmin relevante - op 20 maart 2006 betrekking hebbende - nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigeden.

4.2. Hetgeen is overwogen in 4.1 leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv bevoegd was om de onderhavige aanvraag van appellante met toepassing van artikel 4:6 van de Awb af te wijzen. Niet kan worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een (on)geschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.

4.3. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter, in tegenwoordigheid van

M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2010.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Mostert.

IvR