Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1561

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2010
Datum publicatie
25-10-2010
Zaaknummer
09-2668 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2668 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 26 maart 2009, 07/3439 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Heek, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Heek. Het Uwv was vertegenwoordigd door L. den Hartog. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om appellante in de gelegenheid te stellen nadere medische informatie in te dienen.

Appellante heeft vervolgens een rapport ingediend van dr. E.J.T. Matser, klinisch neuropsycholoog, gedateerd 8 februari 2010.

Het Uwv heeft bij schrijven van 17 mei 2010 gereageerd op dit rapport.

Vervolgens hebben beide partijen de Raad toestemming gegeven om zonder nadere behandeling ter zitting uitspraak te doen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 13 december 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 14 februari 2007 herzien en nader vastgesteld, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.2. Bij besluit van 10 september 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen dit besluit gegrond verklaard en medegedeeld dat de WAO-uitkering per 14 februari 2007 berekend wordt naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. Tevens is een vergoeding toegekend van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar tot een bedrag van € 644,-.

1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 10 september 2007 ingediende beroep ongegrond verklaard. Hierbij heeft zij (kort samengevat) overwogen geen aanleiding te zien de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de bezwaarverzekeringsarts voor akkoord bevonden beperkingen voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts terecht en op goede gronden geconcludeerd dat de vastgestelde belastbaarheid van appellante geen aanpassing behoeft. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier niet dat appellante bij minder licht minder goed zou kunnen zien. De rechtbank acht niet aannemelijk dat appellante de voor de geduide functies noodzakelijk geachte cursussen en/of opleidingen niet met goed gevolg af zou kunnen leggen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat appellante in staat moet worden geacht de geduide functies te verrichten.

2. Appellante heeft in hoger beroep verwezen naar de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden. Zij wijst er nogmaals op dat zij meer cognitieve beperkingen heeft en meer beperkingen in verband met haar visusproblemen. Voorts zijn de beperkingen ten aanzien van dynamische belasting en statische houdingen onderschat. Ter onderbouwing verwijst zij nogmaals naar de reeds in het dossier in eerste aanleg aanwezige rapportages van J.G.M. Langezaal, arts orthomanuele geneeskunde en bedrijfsarts, het arbeidspsychologisch onderzoek uit 1999 en de informatie van de optometrist en voorts naar het in hoger beroep ingediende rapport van dr. Matser, voornoemd.

3.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de aangevoerde gronden geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling van de (bezwaar)verzekeringsarts. De Raad stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank terzake en maakt deze tot de zijne. Ten aanzien van de in hoger beroep ingediende informatie van dr. Matser, voornoemd, overweegt de Raad het volgende. Matser concludeert dat uit het neuropsychologisch onderzoek van I. Osinga, psycholoog, zoals beschreven in diens rapportage van 8 september 2006, blijkt dat sprake is geweest van herstel en dat geen sprake (meer) is van cognitieve stoornissen. Matser geeft vervolgens aan dat deze conclusie van Osinga in lijn is met de bevindingen van zijn huidige onderzoek. Er heeft een natuurlijk herstel plaatsgevonden waarbij de cognitieve functies aanzienlijk verbeterd zijn en momenteel passen binnen het intellectuele kader van appellante. Alleen ten aanzien van een geheugentaak onder sterke tijdsdruk is haar score benedengemiddeld. Hij acht het plausibel dat appellante in 2007 vooral gehinderd werd door pijnsensaties, energieverlies en een langdurend slaapprobleem waardoor denkprestaties kunnen fluctueren in kwaliteit. De Raad ziet hierin geen aanleiding tot twijfel aan de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid en verwijst hiertoe naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 29 april 2010.

3.2. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de schatting gebaseerd op de functies van fiscaal controleur (SBC-code 342022 ), telefoniste-receptioniste (SBC-code 315120) en consultatiebureau assistent (SBC-code 372091). De Raad is van oordeel dat bij de “notities functiebelasting” van 5 december 2006 en de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 4 september 2007 afdoende is toegelicht dat de belasting in deze functies de functionele mogelijkheden van appellante niet overschrijdt.

3.3. Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

4. De Raad acht geen termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2010.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK