Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1331

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-10-2010
Datum publicatie
21-10-2010
Zaaknummer
09-1130 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van het besluit tot terugvordering. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. De (kennelijke) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit speelt op zichzelf geen beslissende rol ( LJN BC2453).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1130 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 januari 2009, 08/1710 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.S. Pot, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2010. Voor appellant is verschenen mr. Pot. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 24 maart 2006 heeft het College van appellant kosten van bijstand teruggevorderd over de periode van

3 november 2002 tot en met 31 juli 2005 tot een bedrag van € 30.588,21. Het College heeft het daartegen gemaakte bezwaar bij besluit van 29 juni 2006 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.

1.2. Appellant heeft bij brief van 1 november 2007 het College verzocht om een nieuw besluit inzake de terugvordering van

€ 30.588,21 te nemen. Het College heeft dit verzoek aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van

24 maart 2006. Het College heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 6 november 2007.

1.3. Bij besluit van 27 maart 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 6 november 2007 ongegrond verklaard. Het College heeft daarbij overwogen dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden die aanleiding geven om het bij besluit op bezwaar van 29 juni 2006 gehandhaafde terugvorderingsbedrag van € 30.588,21 te herzien en voorts dat volgens vaste jurisprudentie de interingsformule niet wordt toegepast bij terugvordering wegens verzwegen vermogen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 maart 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het bij brief van 1 november 2007 ingediende verzoek van appellant ertoe strekt dat het College terugkomt van het in rechte onaantastbaar geworden besluit van 29 juni 2006.

4.2. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.3. Appellant heeft betoogd dat, na gemaakt bezwaar, als grondslag voor de terugvordering van € 30.588,21 is overgebleven de waarde van de auto en dat dit gegeven mede op grond van de toe te passen interingsformule moet leiden tot een lager terugvorderingsbedrag. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het daarbij niet gaat om nieuw gebleken feiten of veranderende omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb, aangezien appellant deze omstandigheden reeds eerder naar voren heeft kunnen brengen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen speelt in zaken zoals deze volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 januari 2008, LJN BC2453 - de (kennelijke) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit op zichzelf geen beslissende rol.

4.4. De stelling van appellant dat hem pas bij brief van 26 oktober 2007 duidelijk is geworden dat het wegvallen van de gezamenlijke huishouding als grond voor de terugvordering volgens het College geen effect heeft op de hoogte van het terug te vorderen bedrag doet aan vorenstaand oordeel niet af. De Raad stelt evenals de rechtbank vast dat in het besluit van

29 juni 2006 expliciet staat vermeld dat de gezamenlijke huishouding niet langer mede aan de terugvordering van

€ 30.588,21 ten grondslag ligt. De brief van 26 oktober 2007 is dan ook aan te merken als een nadere uitleg van het College van het besluit van 29 juni 2006. Dat appellant om hem moverende redenen niet in beroep is gegaan tegen het besluit van 29 juni 2006 moet voor zijn rekening worden gelaten.

4.5. Uitgaande van hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen kan, gelet op hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd, naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het College niet in redelijkheid tot zijn besluit van

27 maart 2008 heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

4.6. Het voorgaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.7. Nu het beroep ongegrond zal worden verklaard, is voor een veroordeling tot schadevergoeding geen ruimte. Het verzoek daartoe van appellant dient daarom te worden afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J.M. Tason Avila.

NK