Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1325

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-10-2010
Datum publicatie
21-10-2010
Zaaknummer
08-4288 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstandsuitkering is terecht. Appellant heeft niet voldaan aan de opgelegde arbeidsverplichtigingen. Verwijtbaarheid. De gedraging is terecht gekwalificeerd als een gedraging van de vierde categorie als bedoeld in artikel 36, aanhef en onder d, van de Afstemmingsverordening. Geen dringende redenen om af te zien van het opleggen van een maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4288 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 juni 2008, 07/1855 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.L. Crutzen, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Crutzen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door W.A.A. Buttolo, werkzaam bij de gemeente Heerlen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 1 oktober 1996 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 30 juli 2007 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2007 voor de duur van twee maanden met 100% verlaagd. Bij besluit van 24 september 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 30 juli 2007 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat appellant verwijtbaar niet heeft meegewerkt aan een traject bij re-integratiebedrijf Centrum voor Baan en Beroep (hierna: CBB) en als gevolg daarvan zijn verplichting om gebruik te maken van een door het College aangeboden voorziening onvoldoende is nagekomen. Het College heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 18, tweede lid, van de WWB en artikel 36, aanhef en onder d, en artikel 37, eerste lid, onder d van de ten tijde in geding geldende Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Heerlen (hierna: Afstemmingsverordening). Het College heeft verder overwogen dat er, gelet op een aan appellant op 2 november 2004 wegens onvoldoende solliciteren opgelegde maatregel, sprake is van recidive in de zin van artikel 30, eerste lid, van de Afstemmingsverordening.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

24 september 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Vast staat dat de arbeidsverplichtingen van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WWB ten tijde in geding voor appellant volledig van toepassing waren. Verder staat vast dat in een op 7 december 2007 door CBB opgesteld en door appellant ondertekend trajectplan wordt weergegeven dat appellant door middel van werkervaring een eerste opstap zal maken richting arbeidsmarkt, dat werk een vast onderdeel is van het toeleidingstraject en dat dit werk eerst betrokken zal worden van de leveranciers van werkervaringsplaatsen Licom of Randstad Rentree, en dat appellant op 24 mei 2007 is aangemeld voor een werkervaringsplaats bij Licom.

4.2. Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB - voor zover hier van belang - verlaagt het college van burgemeester en wethouders de bijstand overeenkomstig de door de gemeenteraad vastgestelde verordening indien de belanghebbende naar het oordeel van het college de uit de WWB voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.3. Ingevolge artikel 36, aanhef en onder d, van de Afstemmingsverordening wordt het niet of onvoldoende nakomen van de plicht tot arbeidsinschakeling als een gedraging van de vierde categorie aangemerkt, indien sprake is van geen gebruik maken van of niet meewerken aan een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering gericht op arbeidsinschakeling. Ingevolge artikel 37, eerste lid, aanhef en onder d, van de Afstemmingsverordening bedraagt de maatregel honderd procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de vierde categorie. Ingevolge artikel 37, tweede lid, van de Afstemmingsverordening wordt de duur van de maatregel vastgesteld op de duur van de tekortkoming met een minimum van een maand. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Afstemmingsverordening wordt, indien de belanghebbende zich binnen drie jaar na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging, de duur van de maatregel verdubbeld.

4.4. Vast staat dat appellant op 5 juni 2007 met de bedrijfsleider de werkplek bij Licom heeft bekeken en vervolgens heeft aangegeven dat er op de werkplek te veel lawaai was en dat het er te druk was en de ruimte te groot, en dat appellant vervolgens is vertrokken.

4.5. Appellant heeft aangevoerd dat er geen sprake is van een verwijtbare gedraging, omdat hij de werkplek om fysieke en psychische redenen na enkele minuten heeft moeten verlaten. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Niet aannemelijk is geworden dat er op de op 5 juni 2007 aangeboden werkplek sprake was van te veel lawaai, dat het er te druk was en de ruimte te groot. Verder heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij om fysieke en psychische redenen de werkplek na enkele minuten heeft moeten verlaten. De Raad acht daarbij van betekenis dat uit het eindverslag van 22 juni 2006, dat is opgesteld door de trajectbegeleider van appellant, blijkt dat de trajectbegeleider de werkplek, nadat appellant was vertrokken, heeft beoordeeld en heeft verklaard dat de werkplek in orde was, zeker wat het machinegeluid betrof, en dat er sprake was van zeker niet meer of minder dan normale werkplaatsgeluiden. De Raad ziet geen aanleiding om aan de verklaring van de trajectbegeleider te twijfelen. Verder is niet aannemelijk geworden dat de aan appellant aangeboden werkzaamheden niet in overeenstemming zijn met het door Reaned opgestelde medisch en arbeidsdeskundig advies en het daarbij vastgestelde belastbaarheidpatroon en dat de werkervaringsplaats bij Licom voor appellant niet passend en geschikt zou zijn. Appellant heeft zich in dit verband nog beroepen op het besluit van het College van 6 februari 2008 waarbij hij vanaf 14 augustus 2007 gedeeltelijk is ontheven van de arbeidsverplichtingen. Die beslissing berust op een in de periode van 14 augustus 2007 tot 29 oktober 2007 uitgevoerd onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden van appellant. Naar het oordeel van de Raad werpt dat geen ander licht op de mate van verwijtbaarheid van appellant met betrekking tot de in geding zijnde gedraging. De rechtbank heeft er in dit verband niet ten onrechte op gewezen dat appellant, door op 5 juni 2007 de aangeboden werkervaringsplaats niet te accepteren, het College de mogelijkheid heeft ontnomen om de arbeidsmogelijkheden van appellant - waarover Reaned advies had uitgebracht - toen al in de praktijk te beoordelen.

Gelet op het voorgaande ziet de Raad dan ook geen grond om aan te nemen dat de onder 4.4 genoemde gedraging van appellant, die door het College terecht is gekwalificeerd als het onvoldoende nakomen van de verplichting om gebruik te maken van een door het College aangeboden voorziening, appellant niet zou kunnen worden verweten.

4.6. Gelet op hetgeen onder 4.5 is overwogen was het College op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden de bijstand van appellant overeenkomstig de Afstemmingsverordening te verlagen.

4.7. Het College heeft de gedraging terecht gekwalificeerd als een gedraging van de vierde categorie als bedoeld in artikel 36, aanhef en onder d, van de Afstemmingsverordening. De Raad stelt verder vast dat ook de hoogte en de duur van de opgelegde verlaging in overeenstemming is met de Afstemmingsverordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheid dat hij met zijn minderjarige kind een eenoudergezin vormt, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB en artikel 26, tweede lid, van de Afstemmingsverordening een minder vergaande verlaging op had moeten leggen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad evenmin dringende redenen als bedoeld in artikel 26, vierde lid, van de Afstemmingsverordening op grond waarvan het College had kunnen afzien van het opleggen van een maatregel.

4.8. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en E.J.M. Heijs en

N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2010.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R. Scheffer.

NK