Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1315

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-10-2010
Datum publicatie
21-10-2010
Zaaknummer
09-4326 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigd berekening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Grondig en zorgvuldig medisch onderzoek. Beperkingen juist ingeschat. Geduide functies worden geschikt geacht. Voldoende opleidingsniveau. Gelet op het vroeger behaalde HBO-diploma, wordt appellant terecht in staat geacht op functieniveau 6 te functioneren. Dat zijn opleiding destijds drie jaar duurde, terwijl een tegenwoordige HBO-opleiding vier jaar in beslag neemt, maakt dat niet anders. Hetzelfde geldt met betrekking tot het gestelde gebrek aan werkervaring in functies op HBO-niveau. In de bij de schatting gebruikte functies wordt geen specifieke werkervaring gevraagd en evenmin worden andere eisen gesteld waaraan appellant niet zou kunnen voldoen. Veelal wordt in functies op dit niveau voorzien in een zekere inwerkperiode en bestaat tevens de mogelijkheid tot het volgen van een interne opleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4326 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 10 juni 2009, 08/3704 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.D. van der Heiden, werkzaam bij CNV Hout en Bouw Juridische Dienst te Breda, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn de gronden van het hoger beroep aangevuld, onder meezending van een nader stuk.

Van de zijde van het Uwv is een reactie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Heiden, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. A.E.G. de Jong.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 10 december 2007 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 22 februari 2007 ongewijzigd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.2. Bij besluit van 23 juni 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 10 december 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

3.1. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de instandlating door de rechtbank van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. Hetgeen appellant daarbij doet aanvoeren vormt in essentie een herhaling van de in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte gronden. Deze richten zich tegen zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.

3.2. Samengevat weergegeven houden zijn bezwaren tegen de medische grondslag van het bestreden besluit in dat volgens appellant onvoldoende beperkingen in aanmerking zijn genomen. In het bijzonder houdt appellant staande dat ten onrechte niet langer een urenbeperking voor hem geïndiceerd is geacht. Daarnaast zijn volgens appellant ook op diverse andere aspecten van de belastbaarheid onvoldoende beperkingen in aanmerking genomen. Appellant verzoekt de Raad om - zo nodig - een onafhankelijk medische deskundige te benoemen.

3.3. Zijn bezwaren tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit komen erop neer dat appellant in de eerste plaats van mening is dat de bij de schatting betrokken functies in medisch opzicht niet passend voor hem zijn, in het bijzonder omdat zijn beperkingen zijn onderschat. Volgens appellant valt voorts niet te begrijpen dat hij enerzijds niet langer geschikt wordt geacht voor de maatgevende arbeid van co├Ârdinator huuradministratie, maar anderzijds wel in staat wordt geacht andere functies te vervullen, waarvan de fysiek belastende aspecten volgens appellant niet wezenlijk verschillen van die van de vroegere eigen functie.

3.4. Daarnaast meent appellant dat de functies ook wat betreft het daaraan verbonden niveau - het gaat om functies met opleidingsniveau 6 - niet haalbaar voor hem zijn. Hij wijst hierbij erop dat hij weliswaar in het verleden een HBO-diploma, te weten een diploma van de Pedagogische Academie, heeft behaald, maar, op een korte periode na, nimmer op dat niveau heeft gefunctioneerd. Appellant stelt, met name door dit gebrek aan werkervaring op HBO-niveau, niet (meer) over de vereiste capaciteiten te beschikken.

4.1. De Raad kan zich vinden in het oordeel waartoe de rechtbank in de aangevallen uitspraak met betrekking tot evenvermelde gronden van appellant is gekomen, alsmede met de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. De Raad ziet aanleiding daaraan nog het volgende toe te voegen.

4.2. De Raad heeft geen reden voor twijfel aan de grondigheid en zorgvuldigheid van het ingestelde verzekeringsgeneeskundige onderzoek. Gesteld noch gebleken is dat daarbij niet alle relevante medische gegevens in ogenschouw zijn genomen. Appellant heeft zijn opvatting dat de verzekeringsartsen tot een verkeerde inschatting zijn gekomen van de ernst van zijn beperkingen ten tijde hier van belang, inclusief de door hem gestelde noodzaak tot een urenbeperking, ook in hoger beroep niet aan de hand van medische gegevens onderbouwd. In dit kader verdient opmerking dat appellant, naar van zijn zijde ter zitting desgevraagd is verklaard, al zeer geruime tijd ook niet meer onder (specialistische) behandeling staat.

4.3. Met betrekking tot de medische geschiktheid van de geduide functies, overweegt de Raad in de eerste plaats dat hij zal daarlaten de grief van appellant dat die geschiktheid zich niet laat begrijpen in het licht van de tevens aangenomen ongeschiktheid van het eigen vroegere werk, nu beide partijen immers ervan uitgaan dat het maatgevende werk niet langer passend is voor appellant. Relevant is slechts of appellant terecht in staat is geacht om, gegeven de daaraan verbonden belastende aspecten, de geduide functies te vervullen. Die vraag beantwoordt de Raad met de rechtbank bevestigend. De Raad is van oordeel dat door de arbeidsdeskundigen van het Uwv afdoende is gemotiveerd waarom de functies geacht kunnen worden in medisch opzicht haalbaar te zijn voor appellant.

4.4. Ook onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat appellant, gelet op het door hem vroeger behaalde HBO-diploma, terecht in staat is geacht op functieniveau 6 te functioneren. Niet valt in te zien dat de door appellant benadrukte omstandigheid dat zijn opleiding destijds drie jaar duurde, terwijl een tegenwoordige HBO-opleiding vier jaar in beslag neemt, dat anders zou maken. Hetzelfde heeft te gelden met betrekking tot het gestelde gebrek aan werkervaring in functies op HBO-niveau. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat blijkens de op de arbeidsmogelijkhedenlijst vermelde gegevens - en die gegevens zijn hier doorslaggevend - in de bij de schatting gebruikte functies geen specifieke werkervaring wordt gevraagd en evenmin andere eisen worden gesteld waaraan appellant niet zou kunnen voldoen. Veelal wordt in functies op dit niveau - zo ook hier - voorzien in een zekere inwerkperiode en bestaat tevens de mogelijkheid tot het volgen van een interne opleiding. De Raad komt tot de slotsom dat de in aanmerking genomen functies ook wat betreft (opleidings)niveau en werkervaring geacht kunnen worden binnen het bereik van appellant te liggen.

4.5. Het hoger beroep van appellant slaagt aldus niet.

4.6. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J.W. Schuttel en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van A.L. der Gier als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2010.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.L. de Gier.

NK