Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1309

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-10-2010
Datum publicatie
21-10-2010
Zaaknummer
08-6063 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De maximaal toegestane vakantieduur (per kalenderjaar) is met tien dagen overschreden. De gedingstukken bieden geen aanknopingspunten dat appellant gedurende de periodes geheel of ten dele in het buitenland heeft verbleven, zodat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB toepassing mist. Evenmin is gebleken van toereikende aanwijzingen dat appellant duurzaam zijn verblijf buiten de gemeente Amsterdam, en dus tijdelijk een andere woonplaats, zou hebben gehad. Onjuiste grondslag besluit. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar. Verblijf in voorarrest gaat gepaard met althans enige vorm van besparing voor de directe kosten van levensonderhoud van de betrokkene. Geen recht op bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010/230
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6063 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 september 2008, 08/814 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2010. Voor appellant is niemand verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Tjen A Kwoei, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 30 november 2007 is de uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) van appellant ingetrokken over de periode van 15 tot en met 24 december 2006 (periode 1) en van 31 januari 2007 tot en met 2 februari 2007 (periode 2). Bij dat besluit zijn tevens de gemaakte kosten van bijstand over genoemde periodes tot een bedrag van € 665,58 van appellant teruggevorderd. Aan deze besluiten is ten grondslag gelegd dat appellant langer dan de toegestane periode vakantie heeft genoten en later nog een drietal dagen gedetineerd is geweest.

1.2. Bij besluit van 25 februari 2008 heeft het College het tegen het besluit van 30 november 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant het maximum aantal dagen dat hij met behoud van bijstand in het buitenland dan wel buiten Amsterdam mocht verblijven heeft overschreden, dat niet gebleken is dat hij in deze periode heeft gesolliciteerd en dat hij in voorarrest heeft gezeten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 25 februari 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank ten aanzien van de vakantie overwogen dat het College voor het standpunt dat hij te lang op vakantie is geweest terecht is afgegaan op de eigen opgave van appellant. Ten aanzien van de detentie heeft de rechtbank onder meer verwezen naar de uitspraak van de Raad van 18 juni 2004, LJN AP4680 en een uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 mei 2007, LJN BB1972, waarbij de laatste tot de slotsom komt dat de gehele periode van het voorarrest, waaronder begrepen de ophouding voor verhoor, de voorlopige hechtenis en de inverzekeringstelling, onder de term “rechtens van zijn vrijheid ontnomen” kan worden gebracht. Voorts volgt de rechtbank niet de opvatting van appellant dat pas van een rechtens de vrijheid ontnemen kan worden gesproken als er een rechterlijk oordeel ligt.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Vakantie/verblijf in buitenland/verblijf buiten de gemeente

4.1.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB heeft geen recht op bijstand degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland.

4.1.2. Volgens de Werkvoorschriften (3.4.3) van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam strekt een in Nederland doorgebrachte vakantieperiode in mindering op de onder 4.1.1 genoemde periode van vier weken. Onder 3.4.3.1 van die voorschriften wordt nog opgemerkt dat kortdurend familiebezoek onder de normale sociale contacten valt en geen gevolgen heeft voor de toegestane maximale vakantieduur.

4.1.3. Appellant heeft in 2006 bij Sagenn, waar hij in het kader van een re-integratietraject werkzaam was, twee vakantiemeldingen gedaan, en wel voor de periodes van 3 tot en met 21 augustus 2006 en van 11 tot en met

24 december 2006. Daarmee is de maximaal toegestane vakantieduur (per kalenderjaar) met tien dagen overschreden. De gedingstukken bieden evenwel geen aanknopingspunten dat appellant gedurende die periodes geheel of ten dele in het buitenland heeft verbleven, zodat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB toepassing mist. Evenmin is gebleken van toereikende aanwijzingen dat appellant over de in geding zijnde periode duurzaam zijn verblijf buiten de gemeente Amsterdam, en dus tijdelijk een andere woonplaats, zou hebben gehad. Dit betekent dat het besluit van

25 februari 2008 op een onjuiste grondslag berust. Voor zover het College meent dat het langer dan de toegestane periode vakantie houden op zichzelf reeds aan voortzetting van de bijstand in de weg staat, kan de Raad het College niet volgen. De WWB biedt daarvoor immers geen grondslag. Indien vaststaat dat een belanghebbende door een te lange vakantieperiode zijn kansen op arbeidsinschakeling concreet en aantoonbaar nadelig heeft beïnvloed kan dit wel aanleiding vormen voor afstemming van de bijstand.

4.1.4. Het een en ander is door de rechtbank niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van

25 februari 2008 gegrond verklaren, dat besluit in zoverre vernietigen en bepalen dat het College ter zake een nieuw besluit op bezwaar neemt.

4.2. Voorarrest

4.2.1. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bepaalt dat geen recht op bijstand heeft degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

4.2.2. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant van 31 januari 2007 tot en met 2 februari 2007 in de penitentiaire inrichting [naam penitentiaire inrichting] te [plaatsnaam] heeft verbleven. Appellant heeft zelf verklaard dat hij drie dagen in voorarrest heeft gezeten in verband met het niet betalen van een boete. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat aan appellant gedurende die drie dagen rechtens zijn vrijheid was ontnomen. De Raad voegt daaraan nog toe dat de term “rechtens” niet zozeer duidt op een voorafgaande actie van de rechter(commissaris) maar veeleer op een rechtmatige uitoefening van bevoegdheden door daartoe bevoegde autoriteiten en/of de aanwezigheid van een juiste juridische grondslag. Dat sprake zou zijn geweest van een onrechtmatig voorarrest en/of dat ter zake om schadevergoeding zou zijn verzocht is overigens niet gesteld, laat staan met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. De stelling van appellant dat de kosten van verblijf en voeding tijdens het voorarrest (nog) niet voor rekening van de Staat zouden komen kan de Raad overigens niet volgen. Ook naar het oordeel van de Raad moet het ervoor worden gehouden dat een verblijf in voorarrest, wat daarvan verder zij, gepaard gaat met althans enige vorm van besparing voor de directe kosten van levensonderhoud van de betrokkene.

4.2.3. Hetgeen onder 4.2.1 en 4.2.2 is overwogen leidt tot de slotsom dat aan appellant over de periode van 31 januari 2007 tot en met 2 februari 2007 geen recht op bijstand toekwam.

4.2.4. Het hoger beroep treft in zoverre derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak komt in zoverre dan ook voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de periode van 15 tot en met 24 december 2006;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 25 februari 2008 wat betreft de periode van 15 tot en met

24 december 2006;

Bepaalt dat het College in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van

€ 644,--, te betalen aan appellant en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J.M. Tason Avila.

IA