Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1305

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-10-2010
Datum publicatie
21-10-2010
Zaaknummer
08-5424 WWB + 08-5426 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand. Deugdelijk en op inzichtelijke wijze onderbouwd advies indicatiearts. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5424 WWB

08/5426 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] en [appellante] (hierna: appellanten), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 14 augustus 2008, 07/2038 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. C. van den Berg, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld. Mr. C.F. Roza is in de plaats getreden van mr. Van den Berg en heeft de gronden van het hoger beroep ingediend.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2010. Voor appellanten is verschenen mr. Roza. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door W.A. de Jong, werkzaam bij de gemeente Zwolle.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten hebben op 17 april 2007 een aanvraag voor bijzondere bijstand ingediend voor verhuis- en inrichtingskosten (waaronder de kosten van dubbele huur). Op 15 mei 2007 heeft indicatiearts A.A. Coster van Ergo Advies Zwolle (hierna: Coster) op verzoek van het College geadviseerd over deze aanvraag. In haar advies concludeert Coster dat aannemelijk is dat appellant lijdt aan een psychische aandoening, maar dat op grond van die aandoening niet kan worden gesteld dat de verhuizing medisch noodzakelijk is.

1.2. Bij besluit van 15 juni 2007, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 november 2007, heeft het College de aanvraag om bijzondere bijstand van appellanten afgewezen. Aan de besluitvorming ligt het advies van Coster ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 12 november 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen deze uitspraak gekeerd. Appellanten hebben aangevoerd, kort samengevat, dat het advies van Coster naar de inhoud niet deugdelijk is, met het verzoek een onafhankelijke deskundige te benoemen voor het verrichten van een nader medisch onderzoek.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het College zijn besluitvorming op het advies van Coster heeft mogen baseren. Dit advies is deugdelijk en op inzichtelijke wijze onderbouwd, terwijl appellanten - ook in hoger beroep - geen medische of andere gegevens hebben overgelegd die twijfel doen ontstaan over de juistheid van het advies. De stukken die appellanten ter zitting van de Raad hebben overlegd betreffende de toekenning van een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) per 23 januari 2008 aan appellant, roepen die twijfel in ieder geval niet op. De onderliggende medische gegevens van het Uitkeringsinstituut werknemersverzekeringen ontbreken en uit de wel overgelegde stukken valt niet af te leiden dat Coster ten tijde hier van belang een onjuiste medische inschatting heeft gemaakt.

4.2. Op basis van het advies van Coster heeft het College terecht geconcludeerd dat de verhuis- en inrichtingskosten waarvoor appellanten bijzondere bijstand hebben aangevraagd niet kunnen worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 35 van de Wet werk en bijstand. De aanvraag om bijzondere bijstand is derhalve terecht afgewezen.

4.3. Gelet op hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen ziet de Raad geen aanleiding om, zoals appellanten in hoger beroep hebben verzocht, een medisch deskundige te benoemen voor het verrichten van een nader medisch onderzoek.

4.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en W.F. Claessens en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J. de Jong.

HD