Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1290

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-10-2010
Datum publicatie
21-10-2010
Zaaknummer
09-5664 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Het gaat hier om een tijdelijke achteraf aan betrokkene toegekende WAO-uitkering. Er is geen sprake van een situatie waarbij betrokkene zich had moeten kunnen instellen op aangezegde arbeidsmogelijkheden (LJN AV5268, AT3821 en BJ2117). Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5664 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 september 2009, 08/993 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

[betrokkene], wonende [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 15 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. R. van Diepen, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2010.

Appellant was vertegenwoordigd door F.M.J. [E]. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene heeft van 18 maart 1998 tot 8 januari 1999 gewerkt als kamermeisje en schoonmaakster. Op 29 september 1999 heeft zij zich ziekgemeld vanuit een situatie waarin zij een werkloosheidsuitkering ontving. Bij besluit van 20 maart 2001 heeft appellant geweigerd aan betrokkene per 29 september 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat zij in staat wordt geacht om gangbare arbeid te verrichten. Aan deze schatting liggen de functies ten grondslag die zijn vermeld in een arbeidsmogelijkhedenlijst van 14 maart 2001 en die, zo is vermeld in de rapportage van de arbeidsdeskundige van 15 maart 2001, met betrokkene zijn besproken.

1.2. Op 21 mei 2002 heeft betrokkene zich opnieuw ziek gemeld vanuit een situatie dat zij een werkloosheidsuitkering ontving. Per 5 augustus 2002 is zij hersteld verklaard ingevolge de Ziektewet (ZW). Betrokkene is overeenkomstig het belastbaarheidsprofiel van 12 december 2000 belastbaar geacht voor de destijds geduide functies.

Deze hersteldverklaring staat in rechte vast. De Raad verwijst naar zijn ZW-uitspraak van 10 januari 2007, LJN AZ5976.

1.3. Deze uitspraak is aanleiding geweest voor een beoordeling op grond van de Wet Amber. Bij besluit van 12 juli 2007 heeft appellant betrokkene per 17 juni 2002 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

2.1. Bij besluit van 13 juli 2007 heeft appellant die WAO-uitkering per 5 augustus 2002 ingetrokken. Betrokkene wordt per die datum in staat geacht de in 2000 geduide functies te vervullen, met uitzondering van de functie met fb-code 8539, maar met inbegrip van de destijds geduide functie met fb-code 8364. De functies zijn volgens de arbeidskundige van appellant van het Functie Informatie Systeem (FIS) overgenomen in het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem en waren op de datum in geding actueel.

2.2. Appellant heeft bij besluit van 20 februari 2008 (bestreden besluit) het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 13 juli 2007 ongegrond verklaard.

3.1. Betrokkene heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. Ten aanzien van de medische beoordeling verwijst de rechtbank in de aangevallen uitspraak naar de in 1.2 vermelde ZW-uitspraak van de Raad van 10 januari 2007. Gelet op deze uitspraak acht de rechtbank het niet onzorgvuldig dat bij de onderhavige medische beoordeling is aangesloten bij de ZW-beoordeling en dat is geconcludeerd dat de psychische beperkingen van betrokkene op 2 augustus 2002 reeds waren meegenomen in het belastbaarheidsprofiel van 12 december 2000.

3.2. Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling heeft de rechtbank overwogen dat appellant ten onrechte geen uitlooptermijn in acht heeft genomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan er alleen van de hoofdregel (uitlooptermijn van twee maanden) worden afgeweken in het geval van een volledig afgeronde schatting over een in het verleden gelegen periode. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake omdat uit de arbeidskundige rapportage van 9 november 2006 blijkt dat één van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies is vervallen en daarvoor een nieuwe functie is bijgeduid. Omdat de rechtbank uit de stukken niet kan opmaken vanaf welk moment betrokkene bekend was met de nieuwe functie, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank heeft - met bepalingen over griffierecht en proceskosten - het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen met inachtneming van haar uitspraak een nieuwe besluit op bezwaar te nemen. De overige beroepsgronden van arbeidskundige aard heeft de rechtbank onbesproken gelaten.

4. Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak. Volgens appellant is er sprake van een volledig afgeronde schatting over een in het verleden gelegen periode. Appellant verwijst naar de rapportage van de arbeidsdeskundige van 15 maart 2001. De functie met fb-code 8364 is bij de schatting van 15 maart 2001 aan betrokkene kenbaar gemaakt.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De grief van appellant slaagt. In tegenstelling tot de rechtbank is de Raad van oordeel dat er sprake is van een afgeronde schatting over een periode in het verleden. In de rapportage van de arbeidskundige van 15 maart 2001 is vermeld dat de voor de schatting gebruikte functies en de overige uit het FIS verkregen functies, met betrokkene zijn besproken en een overzicht van deze functies werd verstuurd naar betrokkene. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van die vermelding. Het gaat hier bovendien om een tijdelijke achteraf aan betrokkene toegekende WAO-uitkering. Er is geen sprake van een situatie waarbij betrokkene zich had moeten kunnen instellen op aangezegde arbeidsmogelijkheden. De Raad verwijst naar zijn uitspraken van 14 maart 2006, 16 maart 2005 en 6 juli 2009, met vindplaats respectievelijk LJN AV5268, AT3821 en BJ2117.

5.3. Met betrekking tot de door de rechtbank niet besproken beroepsgronden overweegt de Raad als volgt. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat de beëindiging van de WAO-uitkering per 5 augustus 2002 niet juist is omdat daaraan geen arbeidskundige beoordeling ten grondslag is gelegd, maar een ZW-beoordeling. De Raad onderschrijft dit standpunt van betrokkene niet. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat betrokkene - gelet op de bestaande medische arbeidsbeperkingen - in staat wordt geacht om op de datum in geding gangbare werkzaamheden te verrichten. Wat betreft deze werkzaamheden wordt aangesloten bij de functies die ten grondslag liggen aan het besluit van 20 maart 2001, waarbij appellant heeft geweigerd aan betrokkene per 29 september 2000 een WAO-uitkering toe te kennen. Van deze functies zijn er volgens de rapportage van de arbeidskundige van 9 november 2006, na raadpleging van het FIS en het CBBS, nog drie geschikt. In die rapportage is per functie nagegaan of de belasting daarin de belastbaarheid van betrokkene overschrijdt. Daarnaast voldoen de functies naar het oordeel van de Raad aan het Schattingsbesluit dat op de datum in geding van toepassing was. Dit betekent dat de arbeidskundige beoordeling die ten grondslag ligt aan de onderhavige schatting zorgvuldig tot stand is gekomen. Appellant heeft dan ook op goede gronden de WAO-uitkering van appellant per 5 augustus 2002 beëindigd.

5.4. Hetgeen is overwogen in 5.2 tot en 5.3 leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en het beroep ongegrond moet worden verklaard.

5.5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en C.W.J. Schoor en

J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2010.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) T.J. van der Torn.

NW