Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1247

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-10-2010
Datum publicatie
21-10-2010
Zaaknummer
08-7103 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor een huurschuld. Appellante beschikte over de middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Geen sprake van zeer dringende redenen. Volgens het beleid dient de bijstandsverlening voor schulden beperkt te blijven tot bedreigende schulden zoals in geval van huisuitzetting of energieafsluiting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7103 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 november 2008, 07/3930 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. M.F. Achekar, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2010. Appellante is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Tjen A Kwoei, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 2 mei 2007 heeft het College appellantes aanvraag om bijzondere bijstand voor een huurschuld van € 3.200,-- bij woningstichting Eigen Haard afgewezen.

1.2. Het tegen het besluit van 2 mei 2007 gemaakte bezwaar is bij besluit van 30 augustus 2007 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat volgens de beleidsvoorschriften van de gemeente Amsterdam slechts bijzondere bijstand kan worden verleend voor dreigende (lees: bedreigende) schulden. Appellante heeft echter geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat haar woning ontruimd gaat worden zodat geen sprake is van een bedreigende huurschuld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 augustus 2007 ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft het College appellantes aanvraag om bijzondere bijstand op goede gronden afgewezen. Uit de rapportage van de Dienst Werk en Inkomen blijkt dat appellante op 2 mei 2007 telefonisch heeft doorgegeven dat de geplande ontruiming van haar woning is afgewend omdat zij geld van haar broer heeft kunnen lenen. Ter zitting is door gemachtigde van appellante bevestigd dat appellante twee maal een bedrag van € 1.600,-- van haar broer heeft geleend om de huurschuld te voldoen. Op grond hiervan heeft het College terecht geconcludeerd dat geen sprake (meer) is van een bedreigende huurschuld. Ook is voor het overige niet gebleken van dringende redenen om, in afwijking van de hoofdregel, aan appellante bijzondere bijstand te verlenen.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De gemachtigde van appellante heeft aangevoerd dat sprake was van een serieus dreigende ontruiming van haar woning zodat het College de door appellante verzochte bijzondere bijstand had moeten verlenen. Het incassobureau van de verhuurder had appellante een deadline voorgesteld, anders zou ontruiming volgen. Onder deze omstandigheden heeft appellante haar broer gevraagd de verschuldigde huur voor haar te betalen, dit in afwachting van de gevraagde bijzondere bijstand.

3.2. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet werk en bijstand (WWB) heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige betaling van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand. Niet in geschil is dat appellante ten tijde van het ontstaan van de huurschuld beschikte over de middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB vormde dan ook een beletsel voor verlening van de gevraagde bijzondere bijstand.

3.3. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het College een juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB waarin de mogelijkheid is opgenomen om in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB bijzondere bijstand voor schulden te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan.

3.4. Het College heeft de voorwaarden voor bijstandsverlening voor schulden in geval van zeer dringende redenen, als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB, in de hoofdstukken 9.8.1.1 en 9.8.3.1 van de beleidsvoorschriften van de Dienst Werk en Inkomen neergelegd. Volgens deze voorwaarden dient de bijstandsverlening voor schulden beperkt te blijven tot bedreigende schulden zoals in geval van huisuitzetting of energieafsluiting.

3.5. In hetgeen appellante heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat in haar geval sprake is geweest van zeer dringende redenen in de zin van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB of het door het College terzake gehanteerde beleid. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat een schuldenlast naar vaste rechtspraak in beginsel niet kan worden aangemerkt als een zeer dringende reden. Voorts is van een dreigende huisuitzetting, welke situatie op grond van het door het College gehanteerde beleid aanleiding kan zijn voor het aannemen van een zeer dringende reden, niet gebleken. Een vonnis van de sector kanton van de rechtbank van Amsterdam waarin appellante zou zijn veroordeeld tot het voldoen van een deel van huurschuld, dan wel een aanzegging tot ontruiming van de woning, heeft appellante niet overgelegd.

3.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat het College de aanvraag om bijzondere bijstand terecht heeft afgewezen.

3.7. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2010.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J.M. Tason Avila.

RB