Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1218

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-08-2010
Datum publicatie
21-10-2010
Zaaknummer
08-5015 WWB + 09-1513 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Oplegging verplichting tot arbeidsinschakeling. Korting op bijstandsuitkering. De versies van het trajectplan bevatten innerlijke tegenstrijdigheden waar het gaat om de medische beperkingen van appellant. Vernietigng wegens ontoereikende feitelijke grondslag. 2) Weigering langdurigheidstoeslag. Uitsluitend gebaseerd op de opgelegde maatregelen. Besluit wordt vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/5015 WWB

09/1513 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 juli 2008, 07/5195 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van 6 februari 2009, 08/6835 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T. Scholtus, advocaat te ’s-Gravenhage, de hoger beroepen ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2010 waar de zaken ter behandeling zijn gevoegd. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Scholtus. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Catakli, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 4 oktober 2002 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Met het oog op de arbeidsinschakeling is voor appellant in december 2006 een re-integratieplan opgesteld, een zogeheten MDT-traject bij re-integratiebedrijf Hudson.

1.2. Het College heeft appellant uitgenodigd voor een gesprek op 19 maart 2007 over het MDT-traject. Volgens een rapportage van 28 maart 2007 heeft appellant tijdens het gesprek geweigerd een zogenoemde uitkeringsovereenkomst te tekenen waarin deelname aan het MDT-traject wordt vastgelegd.

1.3. Bij besluit van 28 maart 2007 heeft het College een maatregel opgelegd, inhoudende een verlaging van de bijstand van appellant met 30% met ingang van 1 maart 2007 voor de duur van één maand. Daaraan ligt ten grondslag dat voor appellant een trajectplan is opgesteld om de kans op werk te vergroten en dat hij heeft geweigerd om het trajectplan te ondertekenen of terug te geven.

1.4. Het College heeft appellant wederom uitgenodigd voor een gesprek op 25 april 2007 over het MDT-traject. Volgens een rapportage van 25 april 2007 heeft appellant aldaar wederom geweigerd een voor hem opgesteld trajectplan te ondertekenen en zijn medewerking aan het MDT-traject te verlenen.

1.5. Bij besluit van 25 april 2007 heeft het College een maatregel opgelegd, inhoudende een verlaging van de bijstand van appellant met 100% met ingang van 1 april 2007 gedurende één maand. Ook aan deze maatregel is ten grondslag gelegd dat appellant heeft geweigerd een voor hem opgesteld trajectplan te ondertekenen of terug te geven.

1.6. Appellant heeft op 14 januari 2008 bij het College een aanvraag om een langdurigheidstoeslag ingediend.

1.7. Bij besluit van 7 februari 2008 heeft het College deze aanvraag afgewezen.

2. De besluiten op bezwaar

2.1. Bij besluit van 24 september 2007, voor zover van belang, heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 28 maart 2007 en 25 april 2007 ongegrond verklaard met dien verstande dat de ingangsdatum van de maatregelen op respectievelijk 1 april 2007 en op 1 mei 2007 worden gesteld. Daarbij is overwogen dat appellant door de weigering om op 19 maart 2007 en 25 april 2007 een uitkeringsovereenkomst (lees: trajectplan) te ondertekenen heeft nagelaten mee te werken aan het MDT-traject en aldus geen gebruik heeft gemaakt van een hem aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling, hetgeen verwijtbaar en maatregelwaardig is.

2.2. Bij besluit van 28 juli 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 7 februari 2008 ongegrond verklaard op de grond dat aan appellant de onder 1.3 en 1.5 vermelde maatregelen zijn opgelegd. Daarmee is volgens het College, gezien zijn beleid, niet voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder c, van de WWB opgenomen voorwaarde voor het recht op een langdurigheidstoeslag, inhoudende dat de belanghebbende gedurende de in onderdeel a van die bepaling bedoelde periode van 60 maanden voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden.

3. Bij de aangevallen uitspraak 1, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 september 2007 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 juli 2008 ongegrond verklaard.

4. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraken gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 (08/5015 WWB)

5.1.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, voor zover van belang, is de belanghebbende verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling.

Artikel 18, tweede lid, van de WWB, voor zover van belang, bepaalt dat indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b.

5.1.2. De Raad stelt vast dat zich onder de gedingstukken verschillende versies van het in geding zijnde trajectplan bevinden. Deze versies zijn op respectievelijk 8 december 2006, 12 december 2006 en 1 mei 2007 afgedrukt. Daarvan is de versie met de afdrukdatum van 8 december 2006, anders dan de twee andere versies, door appellant ondertekend. Ter zitting van de Raad is namens het College erkend dat onduidelijk is welke versie van het trajectplan aan appellant op 19 maart 2007 en 25 april 2007 ter tekening is voorgelegd en dat dit ook niet meer kan worden achterhaald. De Raad moet verder vaststellen dat de versies van het trajectplan innerlijke tegenstrijdigheden bevatten waar het gaat om de medische beperkingen van appellant. Enerzijds wordt daarin immers als sterk punt van appellant genoemd dat hij geen medische of lichamelijke belemmeringen heeft en anderzijds wordt melding gemaakt van bij hem vastgestelde medische beperkingen.

5.1.3. Gelet op bovenstaande onduidelijkheden en tegenstrijdigheden ontbreekt naar het oordeel van de Raad een toereikende feitelijke grondslag voor het standpunt van het College dat appellant heeft geweigerd een (passend) trajectplan te ondertekenen en aldus geen gebruik heeft gemaakt van een aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak 1 voor vernietiging in aanmerking komt voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 24 september 2007 ongegrond is verklaard. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 24 september 2007 gegrond verklaren en het besluit vernietigen. De Raad stelt, gelet op hetgeen onder 5.1.2 is overwogen, verder vast dat het aan het besluit van 24 september 2007 klevende gebrek niet meer kan worden hersteld. De Raad ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien en de primaire besluiten van 28 maart 2007 en 25 april 2007 te herroepen.

5.1.4. Het verzoek van appellant om het College met toepassing van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente komt voor toewijzing in aanmerking. De schade bestaat uit niet tijdige volledige uitbetaling van algemene bijstand over de maanden april en mei 2007. Volgens vaste rechtspraak neemt de Raad omwille van een praktische en eenvormige rechtstoepassing tot uitgangspunt dat het juiste bedrag aan periodieke bijstand had moeten zijn betaald uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op de maand waarop die bijstand betrekking heeft. Dit betekent in dit geval dat de eerste dag, waarop over de niet tijdig volledig betaalbaar gestelde bruto-uitkering wettelijke rente is verschuldigd, dient gesteld te worden op respectievelijk 1 juni 2007 en 1 juli 2007. De aldus berekende rente zal alsnog moeten worden betaald tot de dag van algehele voldoening. Bij het voorgaande geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag, waarover de rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

5.2. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 (09/1513 WWB)

5.2.1. De Raad stelt vast dat de weigering van het College om een langdurigheidstoeslag toe te kennen uitsluitend is gebaseerd op de bij de besluiten van 28 maart 2007 en 25 april 2007 opgelegde maatregelen. Nu deze maatregelen gelet op het vorenstaande in rechte geen stand houden, berust deze weigering naar het oordeel van de Raad op een ondeugdelijke grondslag. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak 2 eveneens vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 28 juli 2008 gegrond verklaren en het besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. De Raad zal het College opdragen een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 7 februari 2008 te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

5.2.2. Het verzoek van appellant om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door het College noodzakelijk is. Het College zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om renteschade te vergoeden. Ook zal het College een beslissing moeten nemen op het verzoek van appellant om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten.

6. Slotoverwegingen

De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de kosten van appellant. In het geding met het kenmerk 08/5015 WWB worden deze kosten begroot op € 966,-- in bezwaar, € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 2,40 voor reiskosten in beroep en op € 21,80 voor reiskosten in hoger beroep. In totaal gaat het om een bedrag van € 2.278,20. Daarvan uitgaande worden in het geding met het kenmerk 09/1513 WWB de proceskosten van appellant begroot op € 644,-- in beroep en € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en op € 2,40 voor reiskosten in beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

In het geding met het kenmerk 08/5015 WWB:

Vernietigt de aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 24 september 2007 gegrond;

Vernietigt het besluit van 24 september 2007;

Herroept de besluiten van 28 maart 2007 en 25 april 2007;

Veroordeelt het College tot vergoeding van schade, zoals in overweging 5.1.4 van deze uitspraak is aangegeven;

Veroordeelt het College in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.278,20;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

In het geding met het kenmerk 09/1513 WWB:

Vernietigt de aangevallen uitspraak 2;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 28 juli 2008;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant, in beroep tot een bedrag van

€ 646,40, te betalen aan appellant, en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) C. de Blaeij.