Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1197

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2010
Datum publicatie
20-10-2010
Zaaknummer
08-1606 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Niet-ontvankelijkverklaring beroep gericht tegen de maatregel. Schending inlichtingenverplichting. De rechtbank is buiten de omvang van het geding getreden voor zover zij een oordeel heeft gegeven over de maatregel. Door zich naar aanleiding van de eerst ter zitting van de rechtbank naar voren gebrachte bezwaren tegen de opgelegde maatregel ook uit te laten over de maatregel heeft de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Vernietiging uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/1606 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 januari 2008, 07/3670 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Gilze en Rijen (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 augustus 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.A.C. Cools, advocaat te Rijen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 13 juli 2010, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontvangt vanaf 28 april 2005 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op 10 januari 2007 is door de Regiopolitie Midden en West Brabant een hennepkwekerij aangetroffen in de woning van appellant. Het Team Fraudebestrijding van de sector Sociale Zaken van Publiekszaken Tilburg heeft vervolgens een nader onderzoek ingesteld.

1.2. Bij besluit van 20 maart 2007 heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 24 december 2006 tot en met 10 januari 2007 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 619,98 van hem teruggevorderd. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant, door geen melding te maken van zijn activiteiten in de hennepkwekerij, de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg van die schending zijn recht op bijstand over de hiervoor genoemde periode niet kan worden vastgesteld. Daarnaast is de bijstand van appellant over de maand april 2007 met 10% verlaagd op de grond dat hij ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand heeft ontvangen.

1.3. Bij besluit van 12 juli 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 20 maart 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 juli 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking

4.1. De Raad is, anders dan appellant, van oordeel dat de rechtbank terecht geen oordeel heeft gegeven over de intrekking van de bijstand. De Raad stelt vast dat in het beroepschrift en het aanvullend beroepschrift van 22 augustus 2007 uitsluitend gronden zijn aangevoerd tegen de terugvordering en dat aan het slot van dat beroepschrift is verzocht te bepalen dat er geen grond is voor terugvordering over de periode van 24 december 2006 tot en met 10 januari 2007. Verder ziet de Raad grond voor dit oordeel in hetgeen appellant tijdens de behandeling van het beroep ter zitting bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. Naar het oordeel van de Raad is de rechtbank er bij de aangevallen uitspraak dan ook terecht vanuit gegaan dat de rechtmatigheid van de intrekking van de bijstand over de periode van 24 december 2006 tot en met 10 januari 2007 in beroep niet betwist is en daarom in rechte vast staat.

De terugvordering

4.2. Uit hetgeen onder 4.1 is overwogen vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 24 december 2006 tot en met 10 januari 2007 van appellant terug te vorderen.

4.3. Bij de uitoefening van die bevoegdheid voert het College het beleid dat steeds tot volledige terugvordering wordt overgegaan tenzij er sprake is van dringende redenen om daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien. In hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot zijn financiële en gezinssituatie ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in het beleid.

4.4. Uit hetgeen onder 4.3 is overwogen vloeit voort dat het College in overeenstemming met zijn beleid heeft besloten tot volledige terugvordering. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College van zijn beleid had moeten afwijken.

De maatregel

4.5. De Raad stelt ambtshalve vast dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden voor zover zij een oordeel heeft gegeven over de maatregel. Zoals ook in rechtsoverweging 4.1 is aangegeven, richtte het beroepschrift van appellant zich uitsluitend tegen de terugvordering van de bijstand. Door zich naar aanleiding van de eerst ter zitting van de rechtbank naar voren gebrachte bezwaren tegen de opgelegde maatregel ook uit te laten over de maatregel heeft de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het besluit van 12 juli 2007, voor zover dat is gericht tegen de maatregel, niet-ontvankelijk verklaren.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep, voor zover het de terugvordering van bijstand betreft, ongegrond;

Verklaart het beroep, voor zover het de maatregel betreft, niet ontvankelijk;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) C. de Blaeij.

JvS