Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1102

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2010
Datum publicatie
20-10-2010
Zaaknummer
08-4050 WWB + 08-4043 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WWB-uitkering voor gehuwden met 10% ingevolge de Toeslagenverordening WWB omdat appellanten met één of meer anderen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. In een dergelijke situatie kunnen de noodzakelijke kosten worden gedeeld zoals bijvoorbeeld de kosten van verzekeringen, telecommunicatie en energie om die reden is hier geen sprake van een schrijnend geval.

De Raad is voorts van oordeel dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun omstandigheden zodanig bijzonder zijn dat het College op grond van artikel 18, eerste lid, van de WWB gehouden is de verlaging van de uitkering met 10% ongedaan te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4050 WWB

08/4043 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant 1] en [appellant 2], beiden wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 juni 2008, 07/4199 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.E.L.T. Balkema, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2010. Appellanten zijn met bericht niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.E.M. Wagenaar, werkzaam bij de gemeente Arnhem.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten, die verbleven in een crisisopvang in welk verband zij vanaf 15 januari 2007 een gemeubileerde kamer bewoonden tegen een all in huur van € 375,-- per maand, ontvingen een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Deze uitkering is met toepassing van artikel 5 van de Toeslagenverordening WWB van gemeente Arnhem, vastgesteld op 6 juni 2005 en in werking getreden op 1 juli 2005 (hierna: de Verordening), verlaagd met 10% van het wettelijk minimumloon, omdat appellanten met één of meer anderen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.

1.2. Namens appellanten is op 5 februari 2007 een verzoek gedaan om met ingang van

15 januari 2007 de verlaging ongedaan te maken omdat sprake is van een schrijnend geval.

1.3. Bij besluit van 11 april 2007 heeft het College dit verzoek afgewezen op de grond dat geen sprake is van hoge woonlasten en van bijzondere individuele omstandigheden.

1.4. Bij besluit van 2 oktober 2007 heeft het College het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 11 april 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 2 oktober 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich tegen deze uitspraak gekeerd. Aangevoerd is dat de Verordening niet aan de door de wetgever gestelde eisen voldoet, dat de richtlijn schrijnendheid die het College hanteert geen juist wettelijk kader is voor de invulling van artikel 18, eerste lid van de WWB en dat er feitelijk geen sprake is van lagere - maar van hogere kosten.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Op grond van artikel 26 van de WWB is de gemeenteraad bevoegd de gehuwdennorm lager vast te stellen voor zover de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.

4.2. Artikel 5 van de Verordening ziet, blijkens het opschrift, op de verlaging voor gehuwden. In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat de gehuwdennorm wordt verlaagd met 10% voor belanghebbenden die met één of meer anderen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. De raad van de gemeente Arnhem heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat in een dergelijke situatie de noodzakelijke kosten kunnen worden gedeeld. Van de kant van het College is desgevraagd ter zitting meegedeeld dat appellanten in de gegeven situatie geacht kunnen worden bepaalde kosten te delen, zoals bijvoorbeeld de kosten van verzekeringen, telecommunicatie en energie.

4.3. Artikel 5 van de Verordening valt, naar het oordeel van de Raad, binnen de grenzen die de WWB, in het bijzonder artikel 26 van de WWB, aan de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad heeft gesteld. Voorts is de Raad van oordeel dat artikel 5 van de Verordening niet kennelijk onredelijk is, zodat er geen aanleiding is deze bepaling bij de beoordeling van de verlaging van de toeslag van appellanten buiten toepassing te laten. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat het College, los van het bepaalde in de Verordening, gelet op artikel 30, vierde lid, van de WWB, op grond van artikel 18, eerste lid, van de WWB, de verplichting heeft om de bijstand in het individuele geval af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. In het licht van het vorenstaande kan de Raad appellanten dan ook niet volgen dat er in de Verordening ten onrechte een categorie voor hoge bestaanskosten althans hoge woonlasten ontbreekt.

4.4. Zoals gezegd vloeit uit artikel 18, eerste lid, van de WWB voort dat het College gehouden is de bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Uit de richtlijn schrijnende gevallen welke ten tijde van belang van toepassing was, leidt de Raad af dat het College slechts in schrijnende situaties van het forfaitaire stelsel afwijkt. Zoals de Raad eerder geeft geoordeeld (CRvB 10 juni 2008, LJN BD3700) geeft het College daarmee een te beperkte uitleg aan het in artikel 18, eerste lid, van de WWB neergelegde individualiseringsbeginsel.

4.5. De Raad is voorts van oordeel dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun omstandigheden zodanig bijzonder zijn dat het College op grond van artikel 18, eerste lid, van de WWB gehouden is de verlaging van de uitkering met 10% ongedaan te maken. De hoogte van de all in huur van € 375,-- per maand waarop in dit verband door appellanten is gewezen komt de Raad niet bovenmatig voor, zodat dit niet als een omstandigheid in bovengenoemde zin kan worden aangemerkt.

4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2010.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD