Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO1048

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
19-10-2010
Zaaknummer
09-2528 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bestreden besluit is gebaseerd op een juiste medische en arbeidskundige grondslag. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene ten onrechte gegrond verklaard. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2528 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2009, 07/3083 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 13 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M.H. Rokebrand. Betrokkene is verschenen bij gemachtigde J.R. Beukema, werkzaam bij Juricon Adviesgroep.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Bij brief van 1 maart 2010 heeft appellant met verwijzing naar de bijgevoegde rapporten van bezwaarverzekeringsarts J.C.H. Schnitger-Horsthuis van 3 februari 2010 en bezwaararbeidsdeskundige M.A. Oudenaller van 23 februari 2010 zijn standpunt nader toegelicht. Bij brief van 8 maart 2010 is namens betrokkene commentaar gegeven op dit nadere standpunt. Nadien hebben partijen diverse reacties ingezonden.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 11 augustus 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel. Betrokkene is verschenen bij J.R. Beukema.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan betrokkene is met ingang van 10 januari 1994 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In verband met het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek plaatsgevonden. Op grond van de bevindingen van dat onderzoek heeft appellant geconcludeerd dat betrokkene met inachtneming van haar medische beperkingen, vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 december 2006, geschikt is voor het verrichten van werkzaamheden in passende functies zonder dat sprake is van verlies aan verdiencapaciteit. Bij besluit van 15 maart 2007 heeft appellant de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 16 mei 2007 ingetrokken. Betrokkene heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

1.2. In bezwaar heeft Schnitger-Horsthuis de medische beoordeling heroverwogen en de FML op 10 september 2007 op diverse onderdelen aangepast. In haar rapport van dezelfde datum heeft deze arts geconcludeerd dat er met inachtneming van de Standaard Verminderde Arbeidsduur (hierna: Standaard) geen indicatie is voor een urenbeperking. Oudenaller heeft in verband met de aangepaste FML enkele functies laten vallen en nieuwe functies geselecteerd en in haar rapport van 28 september 2007 geconcludeerd dat betrokkene onveranderd voor minder dan 15% arbeidsongeschikt is te beschouwen. Bij besluit van 6 november 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant onder meer het bezwaar van betrokkene gegrond verklaard, de mate van haar arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO per 16 mei 2007 ongewijzigd voortgezet naar 80 tot 100% en de WAO-uitkering van betrokkene pas met ingang van 2 december 2007 ingetrokken.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

2.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de door Schnitger-Horsthuis gegeven toelichting in haar rapport van 10 september 2007 geen deugdelijke motivering vormt voor het achterwege laten van een urenbeperking. Nu een nader onderzoek naar de duurbeperking achterwege is gebleven is de rechtbank van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet toereikend is. Naar het oordeel van de rechtbank behoeven de overige aangevoerde gronden geen bespreking meer en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

3.1.1. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat met het rapport van 10 september 2007 van Schnitger-Horsthuis voldoende is gemotiveerd waarom in het onderhavige geval geen reden is gezien een urenbeperking aan te nemen.

3.1.2. Bij brief van 23 december 2009 heeft appellant een rapport van 16 december 2009 van Schnitger-Horsthuis ingezonden, waarin onder meer is uiteengezet dat de aangenomen beperking in de FML van 10 september 2007 ‘mentaal tempo trager dan gemiddeld’ ten onrechte onder ‘1.7. Handelingstempo’ is geplaats en dat deze beperking had moeten worden weergegeven onder ‘1.9. Specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid’. Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft Schnitger-Horsthuis in haar rapport van 3 februari 2010 nogmaals haar standpunt toegelicht en een op voornoemde items gewijzigde FML ingezonden. Oudenaller heeft in haar rapport van 23 februari 2010 toegelicht dat deze wijziging van het FML geen verandering brengt in het standpunt dat betrokkene geschikt is te achten de werkzaamheden in de functies, die aan de schatting ten grondslag liggen, te verrichten.

3.2. Betrokkene heeft in verweer – kort samengevat – aangevoerd dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is vastgesteld. Ten onrechte is geen urenbeperking aangenomen. Zij kan zich verder niet vinden in de wijziging van de FML op de punten 1.7 en 1.9. Zij meent ten slotte dat zij ten gevolge van haar medische beperkingen niet geschikt is de werkzaamheden in de geselecteerde functies te verrichten.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.1. De Raad is met appellant van oordeel dat Schnitger-Horsthuis met haar rapport van 10 september 2007 op zorgvuldige, inzichtelijke en concludente wijze heeft uiteengezet dat de Standaard niet leidt tot het aannemen van een urenbeperking. Schnitger-Horsthuis heeft ten behoeve van de heroverweging in bezwaar een dossierstudie verricht, de in bezwaar verkregen medische gegevens bestudeerd en betrokkene onderworpen aan een aanvullend medisch onderzoek. In haar rapport heeft zij uitgebreid verslag gedaan van dit aanvullende onderzoek, waarbij zij onder andere het dagverhaal van betrokkene heeft omschreven en aandacht heeft geschonken aan de huidige behandeling van betrokkene. Schnitger-Horsthuis heeft mede op grond van de aanwezige medische gegevens geconcludeerd dat in vergelijking tot de vorige beoordelingen van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene het medisch beeld duidelijk is verbeterd. Zij heeft onderbouwd uiteengezet dat haar inziens sprake is van een discrepantie tussen het door betrokkene geclaimde onvermogen en de objectiveerbare bevindingen. Vervolgens heeft zij overwogen dat en waarom met inachtneming van de Standaard er geen indicatie is voor een urenbeperking. Zij heeft daarbij aangegeven dat er voor de door betrokkene genomen rust geen noodzaak bestaat vanuit het ziektebeeld en dat veeleer moeten worden aangenomen dat sprake is van een gewenning.

4.1.2. Hetgeen van de zijde van betrokkene is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid. Terecht heeft appellant er op gewezen dat in het onderhavige geval geen plaats is voor het aannemen van een urenbeperking omdat zich niet de situatie voordoet dat met het stellen van beperkingen niet op voldoende wijze aan de voor betrokkene geldende mogelijkheden tegemoet kan worden gekomen. Voorts faalt de verwijzing van betrokkene naar het Protocol Whiplash reeds omdat dit protocol op de datum in geding nog niet was ingevoerd.

4.1.3. Uit hetgeen in 4.1.1 en 4.1.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant slaagt.

4.2. De rechtbank is niet toegekomen aan de beoordeling van de overige beroepsgronden van betrokkene. De Raad heeft geen termen aanwezig geacht de zaak voor verdere behandeling naar de rechtbank terug te wijzen, en zal mede omdat partijen daarom hebben verzocht de zaak zelf afdoen.

4.3. De Raad is van oordeel dat de FML van 10 september 2007, zoals aangepast op 3 februari 2010, een juist beeld geeft van de functionele mogelijkheden van betrokkene. Partijen verschillen niet van mening over de aangenomen beperking ‘mentaal tempo trager dan gemiddeld’. De Raad volgt Schnitger-Horsthuis in haar zienswijze, zoals uiteengezet in haar rapport van 16 december 2009 en latere reacties, dat deze beperking weergegeven dient te worden onder 1.9 en niet onder 1.7 nu met betrekking tot betrokkene geen sprake is van een aanmerkelijke vertraging in het handelen. Anders dan namens betrokkene is aangevoerd is met deze wijziging geen sprake van een relativering van de belastbaarheid op het handelingstempo van betrokkene. Het is de Raad verder niet gebleken, dat appellant de beperkingen van betrokkene, op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten, heeft onderschat. Evenmin als in beroep heeft betrokkene in hoger beroep medische gegevens in het geding gebracht, die twijfel doen rijzen over de juistheid van de FML op de datum hier in geding.

4.4. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot betrokkene vastgestelde medische beperkingen is de Raad van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor betrokkene in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen de diverse in dit geding opgemaakte rapporten van Oudenaller, in het bijzonder de rapporten van 21 december 2009 en 23 februari 2010, waarin is ingegaan op de door betrokkene aangevoerde gronden, is de Raad van oordeel dat een als genoegzaam aan te merken onderbouwing is gegeven aan de geschiktheid van de geselecteerde functies.

4.5. Uit hetgeen is overwogen in 4.1.1 tot en met 4.4 volgt dat het bestreden besluit gebaseerd is op een juiste medische en arbeidskundige grondslag. De Raad is tot het oordeel gekomen dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene ten onrechte gegrond heeft verklaard, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Raad zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van betrokkene ongegrond verklaren.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om over te gaan tot een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en H. Bolt en T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

IvR