Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO0823

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
15-10-2010
Zaaknummer
08-1637 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering. Het door Kan en Geurts verrichte onderzoek acht de Raad volledig en zorgvuldig. Zij hebben hun bevindingen en conclusies op inzichtelijke wijze en naar behoren gemotiveerd. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellant op en na 16 april 2007 juist heeft vastgesteld. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, dienen voor appellant in medisch opzicht als geschikt te worden aangemerkt. De onderbouwing hiervoor is gegeven in de rapporten van bezwaararbeidsdeskundige J. Leeneman van 13 februari en 19 maart 2007.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1637 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 januari 2008, 07/1706 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een rapport van psychiater W.C. Bohlmeijer van 4 maart 2009 ingezonden. Hierop is gereageerd door het Uwv onder toezending van een rapport van een bezwaarverzekeringsarts.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2009, waar appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. L. van Etten, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.F.K. ter Hennepe.

De Raad heeft het onderzoek heropend om over appellant te laten rapporteren door een onafhankelijke psychiater.

Op 6 april 2010 hebben dr. C.C. Kan, psychiater, en drs. D.E.M. Geurts, psychiater i.o., rapport uitgebracht.

Appellant heeft, onder verwijzing naar het commentaar van Bohlmeijer op het rapport van Kan en Geurts gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 11 augustus 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Etten en

M. de Jonge, tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Smid.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, laatstelijk werkzaam als productiemedewerker watermeters in WSW-verband voor 38 uur per week, is op

28 oktober 1991 met psychische klachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden. Het Uwv heeft appellant ingaande

26 november 1992 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

2.1. Bij besluit van 15 augustus 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, ingaande 16 oktober 2006 ingetrokken omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

2.2. Bij besluit van 22 maart 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 augustus 2006 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en bepaald dat de WAO-uitkering van appellant ingaande

16 april 2007 wordt verlaagd naar de arbeidsongeschiktheidklasse van 45 tot 55%. Dit besluit berust op het standpunt van het Uwv dat appellant ten gevolge van een kwetsbare persoonlijkheidsstructuur en status na depressie met agitatie en somatisatie, beperkt is in zijn belastbaarheid. De bezwaarverzekeringsarts heeft uit preventief oogpunt een urenbeperking aangenomen van gemiddeld ongeveer vier uur per dag en 20 uur per week. Het verlies aan verdiencapaciteit van appellant is op grond van een theoretische schatting berekend op 51%.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust.

4. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat het Uwv zijn beperkingen niet juist heeft vastgesteld. Het Uwv heeft in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 12 december 2006 in onvoldoende mate rekening gehouden met zijn onvermogen om persoonlijk en sociaal te functioneren en met zijn pijnklachten van de rug en de benen. Het Uwv had op grond van zijn pijnklachten fysieke beperkingen moeten opnemen in de FML, aldus appellant. Ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft appellant het in rubriek I van deze uitspraak genoemde rapport van 4 maart 2009 van psychiater Bohlmeijer in het geding gebracht. Verder heeft appellant, onder verwijzing naar de door hem bij de rechtbank aangevoerde arbeidskundige beroepsgronden, herhaald dat de voor hem geselecteerde functies niet berekend zijn voor zijn belastbaarheid.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1.1. De Raad heeft in de beschikbare gedingstukken aanleiding gezien psychiater Kan als deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. Appellant is door de deskundige onderzocht die kennis heeft genomen van de in dit geding beschikbare medische gegevens, waaronder het rapport van psychiater Bohlmeijer. In hun rapport van 6 april 2010 hebben Kan en Geurts gesteld dat appellant ten gevolge van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis, een dysthymie en een persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale trekken beperkt is in zijn belastbaarheid. Zij hebben zich kunnen verenigen met de door de bezwaarverzekeringsarts per 16 april 2007 vastgestelde belastbaarheid van appellant. In hun rapport hebben zij verder toegelicht waarom zij Bohlmeijer niet volgen in zijn standpunt dat appellant vanwege een depressie in combinatie met zwakbegaafdheid beperkt is in zijn functionele mogelijkheden. Wat appellants lichamelijke klachten betreft hebben Kan en Geurts overwogen dat die klachten, waarvoor geen somatisch substraat is aan te geven, niet voortkomen uit een mentale stoornis. Naar hun oordeel beperken de lichamelijke klachten appellant voornamelijk met betrekking tot de duur van het werk. Over de werktijden hebben zij gesteld dat regelmaat en structuur belangrijk is voor appellant; appellant mag niet overvraagd worden omdat toename van (lichamelijke) klachten onder die omstandigheid verwacht kan worden.

5.1.2. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten en omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Het door Kan en Geurts verrichte onderzoek acht de Raad volledig en zorgvuldig. Zij hebben hun bevindingen en conclusies op inzichtelijke wijze en naar behoren gemotiveerd. De Raad overweegt voorts dat het van de zijde van appellant nader toegezonden commentaar van Bohlmeijer op het rapport van Kan en Geurts geen ander licht werpt op de medische situatie van appellant ten tijde in geding. Zoals ook door de gemachtigde van appellant ter zitting is bevestigd, houdt Bohlmeijer blijkens dat commentaar vast aan zijn - reeds door Kan en Geurts in hun deskundigenoordeel betrokken - standpunt. Hieruit vloeit voort dat de Raad met de rechtbank van oordeel is dat het Uwv de belastbaarheid van appellant op en na 16 april 2007 juist heeft vastgesteld.

5.2.1. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. De onderbouwing hiervoor is gegeven in de rapporten van bezwaararbeidsdeskundige J. Leeneman van 13 februari en 19 maart 2007.

5.2.2. Aangaande de stelling van appellant in hoger beroep dat de arbeidskundige de functies vermeld in de rapportage van 12 december 2007 ten onrechte geschikt heeft bevonden per 16 april 2007, overweegt de Raad dat die functies niet aan de hier aan de orde zijnde schatting ten grondslag zijn gelegd en derhalve niet ter beoordeling staan.

5.3. Uit hetgeen onder 5.1 en 5.2 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en H. Bolt en T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK