Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO0556

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
19-10-2010
Zaaknummer
10-2361 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Overschrijding vermogensgrens. Huurinkomsten. Schending inlichtingenverplichting. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld, ook al is dit nihil zoals in dit geval, het College daartoe dient over te gaan en dat er dan geen plaats is voor het oordeel dat de bijstand moet worden ingetrokken op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het besluit berust in zoverre op een ondeugdelijke motivering. Vernietiging bestreden besluit met instandlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2361 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2010, 09/3333 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en tevens een verzoek ingediend om het geding versneld te behandelen. Dit verzoek heeft de Raad niet ingewilligd.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2010. Appellant is verschenen. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 6 november 2006 bijstand naar de norm voor gehuwden ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een melding van de Belastingdienst dat appellant zeven panden in zijn bezit had, waarvan drie hypotheekvrij, en dit vermogen vanaf 2004 bij hun aangiftes inkomstenbelasting hadden opgegeven, heeft de Afdeling Bijzondere Onderzoeken van de gemeente Rotterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dit kader is informatie ingewonnen bij de Belastingdienst en bij de Rijnlandse Hypotheekbank, is het Kadaster en de gemeentelijke basisadministratie geraadpleegd en is appellant verhoord. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat appellant, naast zijn eigen woning die hij in 2002 had gekocht voor € 150.000,--, nog zes panden in zijn bezit heeft, met een onderhandse verkoopwaarde in 2008 van in totaal ruim € 260.000,--, dat appellant deze panden verhuurt en dat de totale opbrengst daarvan ruim € 27.000,-- op jaarbasis bedraagt. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 13 maart 2009.

1.3. Op grond van de onderzoeksbevindingen van de Afdeling Bijzondere Onderzoeken heeft het College bij besluit van

12 maart 2009 de bijstand van appellant over de periode van 6 november 2006 tot en met 31 december 2008 herzien (lees: ingetrokken) en de over deze periode gemaakte kosten tot een bedrag van € 36.939,47 (bruto) van hem teruggevorderd. Bij besluit van dezelfde datum heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2009 tot en met

28 februari 2009 herzien (lees: ingetrokken) en de over deze periode verleende bijstand tot een bedrag van € 2.439,34 (netto) van hem teruggevorderd. Bij besluit van 16 maart 2009 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 maart 2009 beëindigd (lees: ingetrokken). Aan deze besluiten is ten grondslag gelegd dat appellant op basis van zowel zijn - niet gemelde - vermogen als zijn - niet gemelde - (huur)inkomsten geen recht op bijstand heeft.

1.4. Bij besluit van 21 augustus 2009 heeft het College de bezwaren van appellant tegen de beide besluiten van

12 maart 2009 en het besluit van 16 maart 2009 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn onroerende goederen en huurinkomsten en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 augustus 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding uitsluitend gaat om de intrekking en terugvordering van bijstand. Derhalve dient hetgeen appellant heeft aangevoerd ten aanzien van zijn aanspraken op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en op de - volgens appellant onrechtmatige - beslaglegging op zijn onroerende goederen buiten bespreking te worden gelaten.

4.2. Vaststaat dat appellant gedurende de gehele hier te beoordelen periode van 6 november 2006 tot en met 16 maart 2009 naast zijn eigen woning nog zes panden in eigendom had en inkomsten genoot uit de verhuur van die zes panden. Met de rechtbank en het College is de Raad van oordeel dat appellant door hiervan geen melding te maken de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen.

4.3. Uit de - door appellant niet betwiste - financiële gegevens die in het onder 1.2 vermelde proces-verbaal van 13 maart 2009 zijn opgenomen blijkt dat in de periode hier in geding de waarde van de in totaal zeven panden van appellant, verminderd met de op deze panden rustende hypotheekschulden en met inachtneming van de vrijlatingsgrens voor in de eigen woning gebonden vermogen, de voor appellant geldende vermogensgrens ruim overschreed. Daarnaast blijkt uit die gegevens dat in deze periode de huurinkomsten van appellant de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm ruim overschreed. Derhalve is zowel de hoogte van het vermogen van appellant als zijn huurinkomsten in de hier te beoordelen periode steeds zodanig geweest dat dit een beletsel vormde voor bijstandsverlening.

4.4. De onder 1.4 weergegeven motivering van de intrekking gaat ervan uit dat onduidelijk is gebleven of appellant beschikte over een vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens en of appellant inkomsten genoot boven de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm. Van enige onduidelijkheid op dit punt is, gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen, echter geen sprake.

4.5. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld, ook al is dit nihil zoals in dit geval, het College daartoe dient over te gaan en dat er dan geen plaats is voor het oordeel dat de bijstand moet worden ingetrokken op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het besluit van 21 augustus 2009 berust in zoverre op een ondeugdelijke motivering.

4.6. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 21 augustus 2009 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen voor zover het betrekking heeft op de intrekking van de bijstand.

4.7. De Raad ziet tevens aanleiding om op basis van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit van 21 augustus 2009 in stand te laten. Uit hetgeen in 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat het College bevoegd is met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand over de periodes van 6 november 2006 tot en met 31 december 2008 en 1 januari 2009 tot en met

28 februari 2009, en met ingang van 1 maart 2009. De wijze waarop van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt kan buiten bespreking blijven, nu daartegen geen zelfstandige gronden zijn aangevoerd.

4.8. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was de kosten van de als gevolg van de intrekking ten onrechte verleende bijstand van appellant over de periode van 6 november 2006 tot en met 28 februari 2009 terug te vorderen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft kunnen maken.

4.9. Gelet op het voorgaande is voor schadevergoeding als door appellant in hoger beroep is verzocht geen plaats.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op

€ 17,70 in hoger beroep voor reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 21 augustus 2009 voor zover dat ziet op de intrekking van de bijstand van appellant;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 17,70;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 151,-- vergoedt;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2010.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R. Scheffer.

IJ