Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO0527

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
15-10-2010
Zaaknummer
10-908 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv met de FML van 1 augustus 2008 de beperkingen van appellant in verband met zijn voetklachten op een juiste wijze heeft vastgesteld. Er is geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de artsen. De aan het bestreden besluit ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige rapporten blijkt voldoende dat de door appellant geuite rug- en beenklachten in het verleden geen aanleiding hebben gegeven voor het aannemen van beperkingen in de belastbaarheid. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de geschiktheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies in voldoende mate is gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/908 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 21 december 2009, 09/1652 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.J. Jurgers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2010. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.B. Snoek.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving in verband met voetbeperkingen met ingang van 17 oktober 1992 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), met ingang van 1 november 1995 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.2. Bij brief van 15 juli 2003 heeft appellant verzocht om herziening van zijn WAO-uitkering vanwege toegenomen rugklachten en pijn in de benen. Bij besluit van 26 september 2003 heeft het Uwv geweigerd de WAO-uitkering van appellant te herzien, omdat de per 1 november 2001 toegenomen arbeidsongeschiktheid kennelijk het gevolg is van een andere ziekteoorzaak. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 18 augustus 2004 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 9 juni 2005, 04/2039, heeft de rechtbank Breda het beroep van appellant tegen het besluit van 18 augustus 2004 ongegrond verklaard.

1.3. Bij uitspraak van 26 juni 2007, LJN BA9780, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 juni 2005 vernietigd, het beroep van appellant tegen het besluit van 18 augustus 2004 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak van de Raad. De Raad heeft geoordeeld dat het besluit van 18 augustus 2004 niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen en een draagkrachtige medische en arbeidskundige grondslag ontbeert. Daarbij heeft de Raad erop gewezen dat het Uwv aandacht zal dienen te besteden aan het feit dat van de zijde van appellant mogelijk is beoogd een verzoek te doen terug te komen op besluitvorming uit het verleden.

1.4. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 26 juni 2007 heeft medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Uit het medisch onderzoek is naar voren gekomen dat bij appellant vanaf 1 november 2001 sprake is van toegenomen beperkingen aan de rug en de linkerknie, terwijl de eerder vastgestelde beperkingen aan de voeten ongewijzigd zijn. Deze toegenomen beperkingen aan de rug en de linkerknie komen voort uit een andere ziekteoorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid, ter zake waarvan door appellant WAO-uitkering wordt ontvangen, is voortgekomen. De wachttijd voor de toegenomen beperkingen vanuit een andere ziekteoorzaak is voltooid op 30 oktober 2002. Uit het arbeidskundig onderzoek is naar voren gekomen dat indien rekening wordt gehouden met alle beperkingen van appellant onvoldoende passende functies te duiden zijn. Indien - gelet op artikel 37, tweede lid, van de WAO - alleen rekening wordt gehouden met de beperkingen ten gevolge van de verzekerde voetklachten, welke beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 1 augustus 2008, is appellant per 30 oktober 2002 aangewezen op voetsparende arbeid en zijn functies te duiden, met verdiensten die resulteren in een verlies aan verdienvermogen van 25 tot 35%.

1.5. Bij besluit van 2 maart 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 26 september 2003 gewijzigd in die zin dat de WAO-uitkering van appellant per 30 oktober 2002 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv een juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 37 van de WAO.

3. Appellant heeft in hoger beroep primair aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen aandacht heeft geschonken aan zijn verzoek terug te komen van de besluitvorming uit het verleden en hem alsnog met terugwerkende kracht een volledige WAO-uitkering toe te kennen. Subsidiair voert appellant aan dat hij op en na 30 oktober 2002 volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO. Ten onrechte gaat het Uwv ervan uit dat de voetklachten uit het verleden geen aanleiding geven tot het aannemen van meer beperkingen in de belastbaarheid. Ten onrechte neemt het Uwv verder het standpunt in dat de overige klachten en beperkingen kennelijk voortkomen uit een andere oorzaak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met betrekking tot de primaire stelling van appellant dat het Uwv ten onrechte geen besluit heeft genomen ter zake van het verzoek terug te komen van de besluitvorming uit het verleden, wijst de Raad erop dat het in behandeling nemen van dat verzoek door het Uwv dient te leiden tot een nieuwe besluitvorming en in het onderhavige geding niet kan leiden tot gegrondverklaring van het (hoger) beroep.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv met de FML van 1 augustus 2008 de beperkingen van appellant in verband met zijn voetklachten op een juiste wijze heeft vastgesteld. Appellant heeft zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld met rugklachten en pijn in de benen. De verzekeringsartsen hebben na hun onderzoek op grond van alle thans beschikbare gegevens geconcludeerd dat de voetklachten, de bevindingen ten aanzien van deze klachten en de hieruit voortvloeiende beperkingen gelijk zijn gebleven. Evenals de rechtbank heeft de Raad, gelet op de thans voorhanden zijnde stukken, geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van deze artsen. Appellant heeft geen medische stukken in het geding gebracht waaruit zou kunnen blijken dat hij vanwege zijn voetklachten zwaarder dan wel anders beperkt is dan door het Uwv is aangenomen.

4.3. Wat betreft appellants rug- en knieklachten en de toepassing van artikel 37 van de WAO overweegt de Raad het volgende.

4.3.1. In artikel 37 van de WAO is – kort samengevat en voor zover hier van belang – bepaald dat een herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, niet plaatsvindt, indien de uitkeringsgerechtigde bij het intreden van de toegenomen arbeidsongeschiktheid uitsluitend is verzekerd op grond van zijn WAO-uitkering en de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid ter zake waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ontvangen is voortgekomen.

4.3.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige rapporten voldoende blijkt dat de door appellant geuite rug- en beenklachten in het verleden geen aanleiding hebben gegeven voor het aannemen van beperkingen in de belastbaarheid. Appellant heeft wel eerder aangegeven klachten te hebben, doch uit de beschikbare medische informatie van onder meer de behandelende artsen van appellant blijkt dat deze klachten niet geobjectiveerd konden worden. Evenals de rechtbank onderschrijft de Raad het standpunt van de verzekeringsartsen dat een oorzakelijk verband tussen de rug- en knieklachten en de voetklachten ontbreekt, zodat ten aanzien van de rug- en knieklachten van appellant niet kan worden gesproken van toegenomen arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 37 van de WAO. Deze klachten zijn bij de beoordeling van de vraag of de door appellant gestelde toename van de klachten moet leiden tot indeling in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse dan ook door het Uwv terecht buiten beschouwing gelaten.

4.4. Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv voor appellant aangenomen medische beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de geschiktheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies in voldoende mate is gemotiveerd. Daarvoor verwijst de Raad naar de zich onder de gedingstukken bevindende rapporten van de (bezwaar)arbeidsdeskundigen, welke rapporten op zichzelf van de zijde van appellant niet zijn bestreden.

4.5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) T.J. van der Torn.

EK