Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO0495

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
15-10-2010
Zaaknummer
07-6128 WAO + 10-4380 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Besluit 1: De Raad stelt vast dat het Uwv met bestreden besluit 2 te kennen heeft gegeven dat de medische en arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1 ondeugdelijk is, zodat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 geheel in stand heeft gelaten. Besluit 2: Volledig en zorgvuldig deskundigenonderzoek. De Raad is derhalve van oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellante per 7 december 2006 met de FML van 29 april 2010 juist heeft vastgesteld. Uitgaande van de juistheid van de FML is de Raad van oordeel dat appellante met haar beperkingen in staat moet worden geacht de aan bestreden besluit 2 ten grondslag gelegde functies te vervullen. Toewijzing schadevergoeding. Vernietiging uitspraak. Beroep tegen bestreden besluit 2 is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6128 WAO

10/4380 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 1 oktober 2007, 06/2684 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De door de Raad als deskundige voor het instellen van een onderzoek benoemde reumatoloog prof. dr. Sj. van der Linden heeft over de gezondheidstoestand van appellante per 7 december 2006 op 21 april 2010 gerapporteerd.

Op 9 juli 2010 heeft het Uwv een nieuw besluit op bewaar genomen.

Namens appellante heeft mr. J.P.J. van de Griend, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand te Tilburg, bij brief van 30 juli 2010 een reactie gegeven op het nieuwe besluit op bezwaar.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellante is, in verband met arthritis psoriatica, met ingang van 13 mei 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, sedert 1 september 2003 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

1.2. In verband met het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit (hierna: aSB) is appellante in 2005 aan een herbeoordeling onderworpen. Een verzekeringsarts heeft na onderzoek op 30 juni 2005 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige een aantal functies geselecteerd, waarvoor appellante geschikt wordt geacht en de mate van haar arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 15%. Bij besluit van 19 december 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 6 februari 2006 ingetrokken. Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3. Naar aanleiding van het bezwaar van appellante heeft bezwaararbeidsdeskundige J. Langius de door de arbeidsdeskundige geduide functies laten vallen en nieuwe functies geselecteerd, waarvoor appellante geschikt wordt geacht, en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante (wederom) berekend op minder dan 15%. Bij besluit van 2 november 2006 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante gegrond verklaard, de WAO-uitkering met ingang van 6 februari 2006 ongewijzigd voortgezet naar de klasse 65 tot 80% en de WAO-uitkering eerst met ingang van 7 december 2006 ingetrokken. Namens appellante is tegen dit besluit beroep ingesteld.

2.1. Naar aanleiding van het beroep van appellante heeft het Uwv de medische en arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1 in overeenstemming gebracht met de jurisprudentie van de Raad. Bezwaarverzekeringsarts T. Miedema heeft de FML van 12 september 2005 op 10 mei 2007 bijgesteld in verband met een aantal zogenoemde verborgen beperkingen. Langius heeft de maximering van het maatman op grond van het aSB op 38 uren per week ongedaan gemaakt. Hij heeft geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschikt ongewijzigd minder dan 15% is.

2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, met beslissingen omtrent proceskostenveroordeling en vergoeding van griffierecht, het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 geheel in stand blijven. De rechtbank heeft overwogen dat de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid eerst nadat bestreden besluit 1 is genomen van een deugdelijke motivering en toelichting is voorzien. De rechtbank heeft vervolgens de medische en arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1 onderschreven.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep haar ook bij de rechtbank ingenomen standpunt gehandhaafd dat het Uwv ten onrechte geen urenbeperking heeft aangenomen. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij gewezen op het door haar in de procedure bij de rechtbank ingebrachte rapport van de reumatoloog B.A. Mašek van 18 juni 2007.

3.2. Het Uwv heeft het in rubriek I genoemde besluit van 9 juli 2010 (hierna: bestreden besluit 2) genomen. Bij dat besluit is alsnog de WAO-uitkering van appellante met ingang van 7 december 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Miedema heeft naar aanleiding van het in rubriek I genoemde rapport van de reumatoloog Van der Linden van 21 april 2010 de FML van 10 mei 2007 op 29 april 2010 aangepast en alsnog een duurbeperking aangenomen van 50%. Langius heeft in zijn rapport van 7 mei 2010, met bijlagen, uiteengezet dat deze aanpassing van de FML gevolgen heeft voor de arbeidskundige beoordeling. Hij heeft geconcludeerd dat de eerder geduide functies in onvoldoende mate in stand kunnen blijven en per 7 december 2006 binnen dezelfde, zogenoemde sbc-codes deels nieuwe functies bijgeduid. Op basis hiervan heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 7 december 2006 vastgesteld op 45 tot 55%.

3.3. Bij in rubriek I vermelde brief van 30 juli 2010 heeft mr. Van de Griend bericht dat appellante verder geen opmerkingen heeft naar aanleiding van bestreden besluit 2. Zij heeft verzocht uitspraak te doen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het hoger beroep van appellante gericht is tegen de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten.

4.2. De Raad stelt verder vast dat het Uwv met bestreden besluit 2 te kennen heeft gegeven dat de medische en arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 1 ondeugdelijk is, zodat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 geheel in stand heeft gelaten. Het hoger beroep van appellante slaagt derhalve. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden vernietigd.

4.3. Aangezien het Uwv met bestreden besluit 2 niet geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van appellante geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.

4.4. Met betrekking tot het beroep van appellante tegen bestreden besluit 2 overweegt de Raad als volgt.

4.5. De Raad heeft in hetgeen appellante heeft aangevoerd aanleiding gezien reumatoloog Van der Linden als deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. In zijn rapport van 21 april 2010 heeft Van der Linden op vragen van de Raad geantwoord zich te kunnen verenigen met de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellante, zij het dat een urenbeperking van 50% ten tijde in geding reëel is. Voorts heeft Van der Linden te kennen gegeven dat appellante in staat is tot het verrichten van de werkzaamheden, verbonden aan de door de (bezwaar)arbeidsdeskundige geselecteerde functies, echter niet zonder urenbeperking.

4.6. Volgens vaste rechtspraak pleegt de Raad het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige te volgen, mits de deskundige zijn bevindingen en conclusies op inzichtelijke wijze en naar behoren heeft gemotiveerd. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval van dat uitgangspunt zou moeten worden afgeweken is de Raad niet gebleken. De Raad is van oordeel dat het door Van der Linden verricht onderzoek volledig en zorgvuldig is geweest.

4.7. Gezien het rapport van Miedema van 29 april 2010 concludeert de Raad dat het Uwv de belastbaarheid van appellante per 7 december 2006, zoals die is vastgelegd in de FML van 29 april 2010, in overeenstemming heeft gebracht met het door Van der Linden gegeven oordeel over de beperkingen van appellante. De Raad is derhalve van oordeel dat het Uwv de belastbaarheid van appellante per 7 december 2006 met de FML van 29 april 2010 juist heeft vastgesteld.

4.8. Uitgaande van de juistheid van de FML van 29 april 2010 is de Raad verder van oordeel dat appellante met haar beperkingen in staat moet worden geacht de aan bestreden besluit 2 ten grondslag gelegde functies te vervullen. De Raad acht in dit verband de bij de geselecteerde functies voorkomende signaleringen in het rapport van Langius van 7 mei 2010 afdoende toegelicht. De Raad voegt daaraan toe dat ook Van der Linden op reumatologische gronden geen bezwaren heeft tegen het verrichten van werkzaamheden door appellante in deze functies.

4.9. De overwegingen 4.5 tot en met 4.8 leiden de Raad tot de slotsom dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond dient te worden verklaard.

4.10. Appellante heeft verzocht het Uwv te veroordelen in de wettelijke rente van de achterstallige uitkering. Met het onder 4.2 en 4.3 overwogene is gegeven dat appellante als gevolg van het onrechtmatig gebleken bestreden besluit 1 van het Uwv schade heeft geleden, verband houdende met vertraagde uitbetaling van de uitkering. Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente, die moet worden berekend overeenkomstig hetgeen de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495 en artikel 4:102 van de Awb.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond;

Veroordeelt het Uwv om aan appellante schadevergoeding te betalen zoals in overweging 4.10 is aangegeven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2010.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen

NW