Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO0477

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2010
Datum publicatie
15-10-2010
Zaaknummer
09-1529 WWB + 10-4946 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling recht op bijstand. Uitspraak II: Naar het oordeel van de Raad is de beslissing van de rechtbank om appellant bij deze stand van zaken niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep wegens het ontbreken van procesbelang en dus geen oordeel te geven over de duidelijkheid van de specificatie, geen schending van eisen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen. De Raad is dus onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak II.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1529 WWB

10/4946 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 13 februari 2009, 07/1534 (hierna: aangevallen uitspraak I) en 2 april 2009, 07/1538 (hierna: aangevallen uitspraak II),

in het gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2010. Appellant is verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 22 februari 2007 heeft appellant een aanvraag gedaan om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 23 maart 2007 heeft het College appellant een voorschot toegekend van € 220,-- voor de periode 22 februari 2007 tot en met 28 februari 2007. Daarbij is meegedeeld dat dit voorschot bij de eerste betaling van de uitkering in één keer wordt verrekend en dat, als appellant geen recht op bijstand heeft, het geld moet worden terugbetaald. Bij besluit van 28 maart 2007 (hierna: besluit 1) heeft het College de aanvraag buiten behandeling gesteld. Bij besluit van eveneens 28 maart 2007 (hierna: besluit 2) heeft het College het verstrekte voorschot teruggevorderd.

1.3. Bij afzonderlijke besluiten van 12 juni 2007 (hierna: besluiten 3 en 4) heeft het College de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellant beroep ingesteld.

1.4. Bij besluit van 26 november 2007 (hierna: besluit 5) heeft het College de besluiten 3 en 4 ingetrokken en de bezwaren van appellant gegrond verklaard. Het College heeft de besluiten 1 en 2 ingetrokken en bepaald dat appellant recht op bijstand heeft met ingang van 16 februari 2007. Daarbij is vermeld dat het voorschot inmiddels verrekend is met reeds verstrekte bijstand.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak I heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 5, voor zover gericht tegen de beslissing op de aanvraag, met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betrokken bij de behandeling van het beroep tegen besluit 3. Appellant heeft in dit beroep betoogd dat hij procesbelang had behouden, omdat de bijstand, zoals hij verzocht had, met ingang van 26 juni 2006 moet worden verleend. De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 3 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

2.2. Bij uitspraak van 11 november 2008 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van de Awb het beroep van appellant, gericht tegen besluit 4 en besluit 5, voor zover gericht tegen de beslissing inzake de terugvordering van het voorschot, buiten zitting niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellant geen procesbelang meer heeft bij die procedure. Daarbij is bepaald dat de gemeente Amsterdam het griffierecht aan appellant dient te vergoeden.

2.3. Bij de aangevallen uitspraak II heeft de rechtbank het verzet van appellant tegen de uitspraak van 11 november 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen uitspraak II en voorts tegen uitspraak I, voor zover zijn beroep ongegrond is verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet kan geen hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb. De aangevallen uitspraak II is een dergelijke uitspraak en derhalve niet vatbaar voor hoger beroep. Voor doorbreking van het in artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet neergelegde appelverbod kan echter grond bestaan indien sprake is van evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is.

4.2. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat hij wel procesbelang had bij zijn beroep aangaande de terugvordering. De Raad stelt vast dat het besluit tot terugvordering is ingetrokken en dat, zoals appellant ter zitting verklaard heeft, hij door de verrekening van het voorschot met zijn uitkering niet tekort is gedaan. Hij blijft echter van mening dat de specificatie daarvan onduidelijk is.

4.3. Naar het oordeel van de Raad is de beslissing van de rechtbank om appellant bij deze stand van zaken niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep wegens het ontbreken van procesbelang en dus geen oordeel te geven over de duidelijkheid van de specificatie, geen schending als onder 4.1 bedoeld. De Raad is dus onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak II.

4.4. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van artikel 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding bij het CWI heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4.5. Ter zitting heeft appellant nader toegelicht dat de bijzondere omstandigheden er in zijn geval in zijn gelegen dat op 26 juni 2006 de hem verleende bijstand is ingetrokken. Hij heeft daartegen geen rechtsmiddel aangewend, aangezien het naar zijn zeggen geen zin heeft om te procederen bij de bestuursrechter. Zo heeft hijzelf nog nooit een procedure gewonnen.

4.6. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in hetgeen appellant hiermee heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheden zijn gelegen als onder 4.4 bedoeld. De aangevallen uitspraak I komt daarom, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart zich onbevoegd ten aanzien van aangevallen uitspraak II;

Bevestigt aangevallen uitspraak I, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R.H.M. Roelofs en O.L.H.W.I. Korte als leden in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2010.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R.L.G. Boot.

RB