Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO0476

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2010
Datum publicatie
15-10-2010
Zaaknummer
08-4460 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4460 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], verblijvend in [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 juni 2008, 07/2506 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Caddeo, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2010. Appellant is niet verschenen. Namens het College is verschenen mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij besluit van 12 maart 2007 heeft het College de aan appellant verstrekte bijstand over de perioden 21 november 2002 tot en met 22 december 2003, 1 juni 2004 tot en met 30 juni 2004 (naar de Raad begrijpt: uitsluitend voor zover dit ziet op de uitbetaalde vakantietoeslag) en 7 juli 2006 tot en met 31 augustus 2006 ingetrokken en de over genoemde perioden gemaakte kosten van bijstand van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 9.381,46 bruto. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het feit dat hij gedurende de genoemde perioden, behoudens de maand juni 2004, gedetineerd was.

1.2. Bij besluit van 24 mei 2007 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 maart 2007 ongegrond verklaard. Het College heeft daarbij overwogen geen aanleiding te zien om de gemaakte kosten van bijstand netto terug te vorderen en dat hem niet is gebleken van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 mei 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat de intrekking over de onder 1.1 genoemde perioden niet in geding is en dat het College in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot volledige terugvordering van kosten van bijstand over deze perioden gebruik heeft kunnen maken. De rechtbank is niet gebleken van dringende redenen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat in zijn situatie een dringende reden aanwezig was op grond waarvan van terugvordering had moeten worden afgezien. Hij heeft er in dat verband op gewezen dat hij aan schizofrenie lijdt en verder verwezen naar een voorlichtingsrapport van de reclassering van 20 februari 2008.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat appellant uitsluitend de wijze waarop het College van zijn bevoegdheid tot terugvordering heeft gebruikgemaakt heeft bestreden.

4.2. Het College hanteert de beleidsregel dat van terugvordering kan worden afgezien, indien - voor zover hier van belang - daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Van dringende redenen in de zin van deze beleidsregel is eerst sprake indien de terugvordering tot onaanvaardbare consequenties leidt voor de geestelijke of lichamelijke gezondheid van degene van wie wordt teruggevorderd.

4.3. De Raad stelt vast dat het College heeft gehandeld in overeenstemming met de ter zake van terugvordering gehanteerde beleidsregel. Hij overweegt daartoe dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen dringende redenen als onder 4.2 bedoeld oplevert. Met name ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de terugvordering onaanvaardbare consequenties voor de gezondheid van appellant heeft. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad voorts geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College van de beleidsregel had moeten afwijken.

4.4. Uit vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2010.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) R. Scheffer.