Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO0451

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
15-10-2010
Zaaknummer
10-86 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering ingevolge de Wet WIA. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en maakt die tot de zijne. Op de door appellant in hoger beroep aangevoerde grond inzake de - minder ernstige - diagnose persoonlijkheidsstoornis met schizotypische kenmerken in de periode, heeft bezwaarverzekeringsarts A. Deitz in zijn rapportage van 7 mei 2010 gemotiveerd gereageerd. De Raad onderschrijft dit standpunt. Met betrekking tot de in hoger beroep overgelegde stukken inzake de medische keuring van militaire dienst in 1995 alsmede de informatie over schizofrenie, heeft bezwaarverzekeringsarts Van Erk bij rapportage van 30 augustus 2008 naar het oordeel van de Raad genoegzaam aangegeven waarom het standpunt van het Uwv hiermee niet in tegenspraak is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/86 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 15 december 2009, 08/2040 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Boon, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Boon. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.H.C. de Bruijn.

De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Bij brief van 2 augustus 2010 heeft appellant nadere stukken toegezonden, waarop het Uwv heeft gereageerd door middel van een rapport van bezwaarverzekeringsarts S.N. van Erk-Raes van 30 augustus 2010.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een verdere behandeling van de zaak ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 14 april 2006 in het kader van WSW-verband in dienst getreden als schoonmaker. Per 1 mei 2006 heeft hij een contract voor een half jaar gekregen. Op 30 mei 2006 heeft hij zich ziek gemeld met ernstige psychische problematiek.

1.2. Appellant heeft op 16 januari 2008 een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In het kader van deze aanvraag is hij op 8 februari 2008 door verzekeringsarts R.R. van Gelder onderzocht. Deze arts is na onderzoek tot de conclusie gekomen dat appellant voor de aanvang van zijn dienstverband en daarmee voor de aanvang van zijn verzekering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) al volledig arbeidsongeschikt was. De verzekeringsarts heeft de eerste arbeidsongeschiktheidsdag arbitrair vastgesteld op 1 januari 2002.

1.3. Bij besluit van 26 februari 2008 heeft het Uwv meegedeeld appellant met ingang van 27 juni 2008 niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Wet WIA.

1.4. Het bezwaar van appellant is bij besluit van 16 mei 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat ten onrechte is vastgesteld dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering. Appellant heeft aangevoerd dat eerst na zijn uitval op 30 mei 2006 een verslechtering van zijn gezondheid heeft plaatsgevonden aangezien eerst toen de diagnose schizofrenie is gesteld. Vóór het jaar 2006 was sprake van een persoonlijkheidsstoornis met schizotypische kenmerken wat volgens appellant een “lichtere” diagnose is dan de latere diagnose van schizofrenie. Deze lichtere diagnose staat niet aan inschakeling in het arbeidsproces in de weg en betekent niet dat toen reeds sprake was van een situatie van “geen duurzame benutbare mogelijkheden”. Bovendien heeft appellant in de periode, 2003/2004, een Trajectplan in het kader van de Wet Werk en Bijstand gevolgd dat de inschakeling van appellant in het arbeidsproces in die periode juist ondersteunt. In hoger beroep heeft appellant nog stukken inzake zijn medische keuring voor militaire dienst van 6 oktober 1995 overgelegd. Uit dit Werkformulier “eerste keuring” blijkt dat er ten aanzien van de psychische indruk geen bijzonderheden zijn opgemerkt.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Voor toepassing van de uitsluitingsgrond van artikel 43, aanhef en onder c, van de Wet WIA dienen, zoals de Raad al eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van de Raad van 28 januari 2009, LJN BH2844), de omstandigheden van het geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties te geven voor het bestaan van een reële arbeidsongeschiktheid. In onderhavig geval heeft de verzekeringsarts de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vastgesteld op 1 januari 2002, liggende voor de datum aanvang van de verzekering ingevolge de Wet WIA.

4.3. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de beroepsgronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom zij niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en maakt die tot de zijne. Op de door appellant in hoger beroep aangevoerde grond inzake de - minder ernstige - diagnose persoonlijkheidsstoornis met schizotypische kenmerken in de periode, heeft bezwaarverzekeringsarts A. Deitz in zijn rapportage van 7 mei 2010 gemotiveerd gereageerd. De Raad onderschrijft dit standpunt. Met betrekking tot de in hoger beroep overgelegde stukken inzake de medische keuring van militaire dienst in 1995 alsmede de informatie over schizofrenie, heeft bezwaarverzekeringsarts Van Erk bij rapportage van 30 augustus 2008 naar het oordeel van de Raad genoegzaam aangegeven waarom het standpunt van het Uwv hiermee niet in tegenspraak is.

4.4. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2010.

(get.) R.C. Stam.

(get.) T.J. van der Torn.

KR