Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO0449

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
15-10-2010
Zaaknummer
09-2898 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Zorgvuldig en volledig medisch onderzoek. Gelet op de medische gegevens die bezwaarverzekeringsarts Hulst tot zijn beschikking had, acht de Raad het niet onzorgvuldig dat hij zelf geen nadere medische informatie heeft opgevraagd. De conclusie van Hulst dat er geen reden is om af te wijken van de door verzekeringsarts Wijffels opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst van 11 februari 2008, acht de Raad derhalve zorgvuldig tot stand gekomen en tevens inzichtelijk en voldoende draagkrachtig onderbouwd. De Raad is van oordeel dat door het Uwv toereikend is gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, als voorbeelden van voor appellante passende arbeid, voor haar in medisch opzicht geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2898 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 20 april 2009, 08/5845 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 18 augustus 2010 heeft appellante nog nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door [L.], wonende te Santpoort-Noord. Het Uwv is met bericht vooraf niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellante is met ingang van 8 januari 1996 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 26 maart 2008 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 26 mei 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 25 juli 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard omdat - kort gezegd - de medische en de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit in rechte stand kunnen houden.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onterechte heeft overwogen dat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medisch onderzoek niet onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Zij heeft gesteld dat de medische onderzoeken zodanig in tijd en omvang beperkt zijn geweest dat er geen zorgvuldig en goed beeld van haar medische beperkingen is verkregen. Er had meer informatie opgevraagd moeten worden bij haar behandelend orthopeed. Uit de door haar in hoger beroep overgelegde medische rapporten, is, zo heeft appellante gesteld, af te leiden dat haar gezondheidstoestand op de in geding zijnde datum 26 mei 2008 slechter was dan door het Uwv bij het bestreden besluit is aangenomen. In de omstandigheid dat het Uwv, naar appellante ter zitting heeft gesteld van het Uwv te hebben vernomen, haar met ingang van 15 juli 2009 als volledig arbeidsongeschikt acht, ziet zij een onderbouwing van haar opvatting, nu aan die gewijzigde opvatting van het Uwv rapporten ten grondslag liggen die in haar ogen duidelijk maken dat zij reeds op de datum in geding 26 mei 2008 verdergaand medisch beperkt was dan door het Uwv is aangenomen. Verder heeft appellante gesteld dat het arbeidskundig onderzoek onzorgvuldig en onjuist is verricht. Daartoe heeft zij aangegeven het onzorgvuldig en onjuist te achten dat bij de onderhavige schatting haar opleidingsniveau is gesteld op niveau 2, terwijl bij de vorige schattingen haar opleidingsniveau op niveau 1 was gesteld en, voorts, dat gebruik is gemaakt van het zogenoemde Claim beoordelings en borgingssysteem (CBBS), nu zij heeft begrepen dat dit systeem gedetailleerder is dan het voorheen gebruikte systeem. Tot slot heeft appellante gesteld dat zij niet in staat is tot het vervullen van de functies die aan de onderhavige schatting ten grondslag zijn gelegd.

4. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat appellante in hoger beroep geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die al niet eerder aan de orde zijn geweest en, onder verwijzing naar een nadere rapportage van bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst van 22 juli 2009, verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5.1. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en hij overweegt daartoe als volgt.

5.2. Aan het bestreden besluit, zoals dat door de rechtbank is getoetst, lagen medische onderzoeken ten grondslag van verzekeringsarts P.M.M. Wijffels en bezwaarverzekeringsarts Hulst. Gelet op de bevindingen en conclusies van deze artsen, neergelegd in hun rapporten van 11 februari 2008, respectievelijk 26 juni 2008 is de Raad van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest. De Raad wijst er daartoe met name op dat Hulst een eigen medisch onderzoek heeft verricht en de door appellante overgelegde medische informatie in zijn beschouwing heeft betrokken. Gelet op de medische gegevens die Hulst zo tot zijn beschikking had, acht de Raad het niet onzorgvuldig dat hij zelf geen nadere medische informatie heeft opgevraagd. De conclusie van Hulst dat er geen reden is om af te wijken van de door Wijffels opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst van 11 februari 2008, acht de Raad derhalve zorgvuldig tot stand gekomen en tevens inzichtelijk en voldoende draagkrachtig onderbouwd. De omstandigheid dat, afgaande op de mededeling van appellante ter zitting, haar op

17 augustus 2010 van de zijde van het Uwv mondeling is meegedeeld dat zij met ingang van 15 juli 2009 volledig arbeidsongeschikt wordt geacht, brengt de Raad niet tot een ander oordeel dan hiervoor weergegeven, alleen al omdat, naar appellante heeft gesteld, aan die beoordeling medische rapporten ten grondslag liggen waarvan moet worden vastgesteld dat zij dateren van (ruim) na de datum die thans in geding is, te weten 26 mei 2008. De arthroscopie van beide knieƫn heeft plaatsgevonden op 17 juni 2009 en uit de overgelegde psychiatrische rapportages blijkt dat appellante zich op 18 juni 2008 heeft gemeld bij de GGZ Dijk en Duin en dat er zich in de periode vanaf eind juli 2008 een verergering heeft voorgedaan van haar psychische klachten.

5.3. Uitgaande van de door het Uwv bij het bestreden besluit ten aanzien van appellante aangenomen belastbaarheid voor arbeid, is de Raad van oordeel dat door het Uwv toereikend is gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, als voorbeelden van voor appellante passende arbeid, voor haar in medisch opzicht geschikt zijn. De Raad verwijst hiervoor naar het rapport van bezwaararbeidsdeskundige

A. van der Ploeg van 21 juli 2008.

5.4. De door appellante betwiste vaststelling door arbeidsdeskundige E.A. Nederbragt van haar opleidingsniveau op niveau 2 is, zo blijkt uit diens rapport van 25 maart 2008, gebaseerd op hem door appellante aanvullend verstrekte informatie over het door haar in voormalig Joegoslaviƫ gevolgde onderwijs. Ter zitting heeft appellante de juistheid van die informatie erkend. Op grond van die informatie heeft Nederbragt het opleidingsniveau van appellante naar het oordeel van de Raad terecht vastgesteld op niveau 2. De omstandigheid dat bij eerdere schattingen haar opleidingsniveau was vastgesteld op niveau 1 maakt niet dat de huidige schatting, gelet op het voorgaande, onzorgvuldig of onjuist is te achten, waarbij de Raad er op wijst dat de door appellante aan Nederbragt verstrekte informatie deels aanvullend was op wat reeds bekend was.

5.5. Tot slot overweegt de Raad, onder verwijzing naar eerdere uitspraken (onder meer zijn uitspraken van 9 november 2004, LJN AR4719, en 3 december 2008, LJN BG5758), dat hij als zijn oordeel te kennen heeft gegeven dat het CBBS kan worden gebruikt ten behoeve van de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkenen.

5.6. Gelet op hetgeen hij onder 5.2 tot en met 5.5 heeft overwogen, is de Raad van oordeel dat het hoger beroep van appellante geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) T.J. van der Torn.

TM