Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO0446

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
15-10-2010
Zaaknummer
07-3233 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Deskundige Schardijn heeft bij zijn onderzoek de beschikking gehad over alle in geding zijnde medische gegevens en heeft op inzichtelijke wijze gerapporteerd omtrent zijn bevindingen waarop zijn conclusies daar op logische wijze uit voort vloeien. Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen, zoals vastgelegd in de FML, is de Raad van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3233 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 april 2007, 05/8940 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft aanleiding gezien dr. G.H.C. Schardijn, reumatoloog, te benoemen als deskundige teneinde een onderzoek in te stellen naar de gezondheidstoestand van appellante. Op 30 mei 2010 heeft de deskundige van zijn bevindingen rapport uitgebracht. Partijen hebben op dit rapport hun reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J. Hemelaar, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van Nood.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante ontving sedert 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 18 april 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 16 juni 2005 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 6 september 2005 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de conclusies van de door haar als deskundige geraadpleegde reumatoloog W.M. de Beus, neergelegd in diens rapport van 11 september 2006, niet te volgen. De rechtbank heeft niet de stelling van appellante gevolgd dat uit het rapport van De Beus blijkt dat zij geen 8 uur per dag kan werken. Naar het oordeel van de rechtbank valt uit de voorhanden medische gegevens niet af te leiden dat bij appellante een, naar objectieve maatstaven gemeten, verminderde arbeidsduur dient te worden aangenomen.

3. Appellante kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen. In hoger beroep heeft zij daartoe aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen verminderde arbeidsduur heeft aangenomen. Uit het rapport van 11 september 2006 van De Beus volgt, naar appellante heeft gesteld, dat deze het niet eens is met het Uwv en haar niet in staat acht uur per dag te werken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In hetgeen door appellante in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad aanleiding gezien commentaar te vragen aan de door de rechtbank als deskundige geraadpleegde De Beus. De Beus heeft meegedeeld zijn werkzaamheden als deskundige te hebben neergelegd. De Raad heeft vervolgens Schardijn als deskundige benoemd en hem verzocht een onderzoek in te stellen naar de belastbaarheid van appellante. In zijn in rubriek I vermeld rapport van 30 mei 2010 heeft Schardijn te kennen gegeven dat hij zich kan verenigen met de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante, zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 23 maart 2005. Wel heeft hij vanuit preventief oogpunt enige twijfel ten aanzien van item 3.6 (blootstelling aan stof). Appellante was in het verleden bekend met een allergie (onder andere huisstofmijt). Hoewel zij op dit moment geen klachten heeft van de luchtwegen, is het niet voorspelbaar, aldus Schardijn, of en wanneer zich weer allergische reacties zullen manifesteren. Schardijn heeft verder te kennen gegeven dat appellante in alle redelijkheid in staat moet worden geacht de door de arbeidsdeskundige van het Uwv geselecteerde functies te kunnen vervullen. Wel heeft hij enige twijfel of appellante geschikt is voor de functie van stikster vanwege blootstelling aan stof (item 3.6.0) en de benodigde knijpkracht (item 4.3.6). In verband hiermee heeft Schardijn erop gewezen dat appellante een beperkte knijpkracht heeft en hij niet goed kan beoordelen of de benodigde kracht boven haar macht gaat. Zijns inziens kan een arbeidsdeskundige hierover beter oordelen.

4.2. Namens het Uwv heeft bezwaarverzekeringsarts P.L.M. Momberg in haar rapport van 11 juni 2010 een reactie gegeven op het rapport van Schardijn. Momberg heeft erop gewezen dat wat betreft de beperkte knijpkracht Schardijn uitgaat van de subjectieve klachten van appellante die niet tijdens eerdere onderzoeken konden worden geobjectiveerd. Appellante kan ten aanzien van de hand- en vingervaardigheid voldoen aan de definities van de normaalwaarde. Wat betreft de opmerkingen van Schardijn over blootstelling aan stof heeft Momberg opgemerkt dat Schardijn geen allergoloog of longarts is. De enkele opmerking van appellante dat zij allergisch is voor huisstofmijt is onvoldoende. Er is niet bekend welke testen zijn gedaan om dit aan te tonen. Bovendien komt huisstofmijt alleen voor in gebruikte artikelen waarin huidschilfers als voedingsbodem voorkomen. Bij het produceren van nieuwe stoffen artikelen, zoals in de functie van stikster, zal appellante hiermee niet in aanraking komen. Momberg concludeert dat er geen aanleiding is de belastbaarheid van appellante, zoals vastgelegd in de FML van 23 maart 2005, te wijzigen en dat appellante geschikt is voor de functie van stikster.

4.3. Appellante heeft bij brief van 12 juli 2010 te kennen gegeven het rapport van Schardijn van 30 mei 2010 te onderschrijven. Zij mist in de reactie van het Uwv de nuance die Schardijn toont. Ter zitting heeft appellante hieraan toegevoegd dat zij de aangevoerde grond dat ten onrechte geen verminderde arbeidsduur is aangenomen, niet langer handhaaft.

4.4. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat Schardijn, die bij zijn onderzoek de beschikking heeft gehad over alle in geding zijnde medische gegevens, op inzichtelijke wijze heeft gerapporteerd omtrent zijn bevindingen en zijn conclusies daar op logische wijze uit voort vloeien. De Raad heeft verder vastgesteld dat de bevindingen van Schardijn in het verlengde liggen van die van De Beus.

4.5. Alhoewel Schardijn zich kan verenigen met de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid, zoals neergelegd in de FML van 23 maart 2005, heeft hij enige twijfels geuit over deze FML ten aanzien van de items 3.6 (blootstelling aan stof) en 4.3.6 (knijpkracht). De Raad volgt Momberg in het door haar ingenomen standpunt dat er met betrekking tot appellante geen aanleiding is te twijfelen aan de FML en dat haar belastbaarheid niet hoeft te worden bijgesteld. De uiteenzetting van Momberg in haar in 4.2 genoemd rapport overtuigt de Raad van een juiste inschatting door het Uwv van de belastbaarheid van appellante.

4.6. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen, zoals vastgelegd in de FML van 23 maart 2005, is de Raad van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen het rapport van 31 augustus 2005 van een bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv en het in 4.2 genoemd rapport van Momberg van 11 juni 2010 is naar het oordeel van de Raad een toereikende motivering gegeven op de geschiktheid van appellante voor het verrichten van de werkzaamheden in de functies waarop de schatting is gebaseerd.

4.7. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.J. Goorden en

B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) T.J. van der Torn.

EK