Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO0364

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
14-10-2010
Zaaknummer
08-7231 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet WIA. Zorgvuldig onderzoek. Psychische beperkingen van appellant zijn niet onderschat. Wat betreft de rug- en nekklachten van appellant en de door appellant in hoger beroep overgelegde medische informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts, naar het oordeel van de Raad, toereikend gemotiveerd in haar rapportages. Uitgaande dat de beperkingen van appellant juist zijn vastgesteld, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om ervan uit te gaan dat de in aanmerking genomen functies in medisch opzicht niet geschikt zijn voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7231 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 4 november 2008, 08/402 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn medische stukken overgelegd waarop door de bezwaarverzekeringsarts bij verschillende rapportages is gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 1 september 2010. Namens appellant is verschenen mr. Gloudi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 10 september 2007 heeft het Uwv de aanvraag van appellant om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) afgewezen, omdat appellant per 7 mei 2006 minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant met zijn medische beperkingen geschikt is voor werkzaamheden in passende functies. Het namens appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 26 februari 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat een voldoende diepgaand en zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden door de (bezwaar)verzekeringsartsen. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de door een arbeidsdeskundige voorgehouden functies geschikt zijn voor appellant.

3. Appellant kan zich met de aangevallen uitspraak niet verenigen. In het bijzonder voert hij in hoger beroep aan dat hij op het psychische vlak veel meer beperkingen heeft dan door de betreffende verzekeringsarts van het Uwv is neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 1 augustus 2007. Daartoe heeft appellant gesteld dat de verrichte expertise door psychiater dr. L. Timmerman van 2 juli 2007 op verzoek van de verzekeringsarts geen juist beeld geeft van de beperkingen die hij ondervindt ten gevolge van zijn depressieve klachten. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat hij meer beperkt is, wijst hij naar brieven van psychiater R. Soylu van 30 juni 2007 en van psychiater M. Ucman van 1 juli 2008 en van 18 december 2008. Beiden geven aan dat sprake is van een depressieve stoornis en een paniekstoornis met agorafobie. Psychiater Ucman geeft in zijn brief van 1 juli 2008 aan dat tevens sprake is van PTSS. Voorts heeft appellant aangegeven dat op de datum in geding ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn klachten aan zijn nek en rug. Daartoe heeft hij in hoger beroep een verslag van een radiologisch onderzoek in Turkije van 7 juli 2009 overgelegd alsmede een brief van

D.H. van der Dussen, neuroloog, van 18 september 2009.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Naar het oordeel van de Raad berust de medische grondslag van het bestreden besluit op een zorgvuldig onderzoek. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat het primair medisch onderzoek met name gericht is geweest op de psychische klachten van appellant. Na eigen onderzoek en om tot een juist oordeel met betrekking tot de belastbaarheid van appellant te komen heeft de betreffende arts besloten om psychiater Timmerman in te schakelen voor expertise. Vervolgens heeft deze arts naar aanleiding van de conclusies van de expertise en naar aanleiding van de ontvangen informatie van de huisarts van 6 juni 2007 vastgesteld dat geen sprake is van een ernstige psychiatrische ziekte. Op basis hiervan is een FML opgesteld waarbij twee beperkingen zijn opgenomen in de rubrieken 1 en 2. In bezwaar heeft bezwaarverzekeringsarts T. den Daas de medische grondslag heroverwogen. In zijn rapportage van 12 december 2007 heeft deze arts naar het oordeel van de Raad genoegzaam de informatie van de behandelend sector, met name de brief van behandelend psychiater Soylu van 30 juni 2007, betrokken en heeft hij inzichtelijk gemotiveerd dat er geen medische argumenten zijn om de bij appellant aangenomen beperkingen te wijzigen. Ook de in beroep en in hoger beroep overgelegde brieven van 1 juli 2008 en 18 december 2008 van de (later) behandelend psychiater Ucman bieden naar het oordeel van de Raad onvoldoende grond voor de stelling dat de psychische beperkingen van appellant zijn onderschat. Wat betreft de rug- en nekklachten van appellant en de door appellant in hoger beroep overgelegde medische informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts, naar het oordeel van de Raad, toereikend gemotiveerd in haar rapportages van 14 september 2009, 26 november 2009 en 13 april 2010 waarom deze geen aanleiding geven tot aannemen van beperkingen in de FML. Gelet op het voorgaande ziet de Raad, evenals de rechtbank, geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

4.3. Aldus ervan uitgaande dat de beperkingen van appellant juist zijn vastgesteld, heeft de Raad voorts geen aanknopingspunten gevonden om ervan uit te gaan dat de in aanmerking genomen functies in medisch opzicht niet geschikt zijn voor appellant.

5. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.J. Goorden en

B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) T.J. van der Torn.

EK