Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO0362

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
14-10-2010
Zaaknummer
09-3097 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van het medische oordeel van het Uwv. Bij gebreke van een toename van medische beperkingen kan volgens vaste jurisprudentie, een arbeidskundige beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid achterwege blijven. Ook de hiertegen door appellante aangevoerde grond kan derhalve niet slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3097 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 24 april 2009, 09/154 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.A. Faber, advocaat te Heerenveen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft met het verweerschrift een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 1 september 2010. Namens appellante is verschenen mr. Faber. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J. Langius.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontving in verband met psychische klachten en naderhand ook in verband met rugklachten, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO). Het Uwv heeft deze uitkering ingaande 30 oktober 2002 ingetrokken omdat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid per die datum minder bedraagt dan 15%.

1.2. Namens appellante heeft het gemeentebestuur van Ooststellingwerf bij brief van

29 januari 2008 aan het Uwv gemeld dat zij sedert 2006 toegenomen arbeidsongeschikt is.

1.3. Bij besluit van 3 juni 2008, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 9 december 2008 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv geweigerd de WAO-uitkering van appellante te heropenen omdat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben op grond van eigen onderzoek en na raadpleging van de behandelend sector vastgesteld dat er op en na 1 januari 2006 geen datum is aan te wijzen waarop de belastbaarheid van appellante ten aanzien van de rug en de psyche is afgenomen ten opzichte van de laatstelijk verrichte beoordeling in 2002.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft over de medische grondslag van het bestreden besluit geoordeeld dat zij geen redenen heeft om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek door het Uwv en de juistheid van de conclusies daarvan. Onder verwijzing naar ’s Raads uitspraak, gepubliceerd in LJN BA6517, heeft de rechtbank verder geoordeeld dat een arbeidskundige beoordeling niet meer aan de orde is nu het Uwv geoordeeld heeft dat geen sprake is van toegenomen medische beperkingen.

3. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat haar beperkingen op en na 1 januari 2006 door het Uwv zijn onderschat en dat wel degelijk sprake is van een toename van haar klachten en beperkingen. Daarbij heeft appellante gewezen op de diverse onderzoeken die zij vanwege die gestelde verslechtering heeft ondergaan. Uit de botscans en röntgenfoto’s en onderzoeken van orthopedisch chirurg drs. C.L. de Ridder, blijkt dat naast de eerdere versmalling op L4-L5, er thans problemen zijn met de tussenwervelschijven L5-S1. Tevens wijst appellante op een, op verzoek van het gemeentebestuur van Ooststellingwerf, uitgebracht rapport van Ausems en Kerkvliet, arbeidsmedisch adviseurs, van 17 april 2007 waarin geconcludeerd wordt dat zij gelet op de klachten en problemen niet belastbaar is voor arbeid. Voorts heeft appellante aangegeven dat haar psychische klachten zijn toegenomen. Wat betreft haar psychische gesteldheid is appellante van mening dat hiernaar ten onrechte geen onderzoek is verricht, temeer nu zij daarvoor medicatie gebruikt. Voorts heeft appellante aangegeven dat zij schouderklachten heeft die, evenals haar rugklachten, zijn te herleiden tot de hypermobiliteit van de gewrichten. Tot slot blijft appellante van mening dat ten onrechte geen arbeidskundig onderzoek heeft plaats gevonden.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad onderschrijft de in de aangevallen uitspraak door de rechtbank vermelde overwegingen en maakt deze tot de zijne.

4.2. Ook de Raad heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het medische oordeel van het Uwv. De Raad tekent daarbij aan dat appellante in hoger beroep geen gegevens in het geding heeft gebracht die twijfel doen rijzen aan de juistheid van dat medisch oordeel. Bezwaarverzekeringsarts T. Miedema heeft naar het oordeel van de Raad bij rapporten van 8 december 2008, 5 maart 2009 en 24 augustus 2009 genoegzaam beargumenteerd dat met de vastgestelde beperkingen in 2002 ook thans in voldoende mate rekening wordt gehouden, zowel met de lichamelijke als met psychische klachten van appellante. De conclusies van de reumatoloog en de orthopedisch chirurg naar aanleiding van de röntgenfoto en CT-scan, en het rapport van Ausems en Kerkvliet zijn hierbij inzichtelijk meegewogen. De omstandigheid dat er in 2002 (enige) discopathie is vastgesteld en in 2006 als diagnose is gesteld lichte laaglumbale discopathie, is op zichzelf geen grond om tot een ander oordeel te komen. Tot slot heeft de bezwaarverzekeringsarts voldoende gemotiveerd waarom geen rekening wordt gehouden met schouderklachten. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad derhalve geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen.

4.3. Bij gebreke van een toename van medische beperkingen kan volgens vaste jurisprudentie, een arbeidskundige beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid achterwege blijven. Ook de hiertegen door appellante aangevoerde grond kan derhalve niet slagen.

4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.J. Goorden en

B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2010.

(get.) H. Bolt.

(get.) T.J. van der Torn.

TM