Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO0336

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-09-2010
Datum publicatie
14-10-2010
Zaaknummer
09-1043 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag verhuiskostenvergoeding en woningaanpassing. Het College heeft bij de beoordeling van de aanvraag van appellant uitdrukkelijk niet de situatie betrokken dat het treffen van een woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing, waartoe op grond van een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem aanleiding bestaat. Het College heeft bij de beoordeling van de aanvraag een te beperkt - en in zoverre in strijd met de Wmo zijnd - toetsingskader gehanteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010/234
RSV 2011/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1043 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 12 januari 2009, 08/245 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 september 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2010. Voor appellant is verschenen mr. Dassen-Vranken. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door W.G. Savelbergh.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Op 4 september 2007 heeft appellant op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) verzocht om een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten (hierna: verhuiskostenvergoeding) in verband met de verhuizing per 1 oktober 2007 van zijn woning aan de [adres 1] te [naam gemeente] naar de woning aan de [adres 2] te [naam gemeente]. Op 6 september 2007 heeft S.M.G. Notermans, maatschappelijk werkster bij Tracee, namens appellant voorts verzocht om vergoeding van de kosten van een aanpassing van de woning aan de [adres 2] in de vorm van het aanbrengen van beugels in de natte cel en het toilet.

1.2. Naar aanleiding van die aanvraag heeft Wmo-consulent H. Neelis op 19 oktober 2007 een huisbezoek afgelegd aan het nieuwe woonadres. Hij heeft gesproken met appellant en zijn echtgenote. Bij dat gesprek heeft appellant onder meer aangegeven dat de aanleiding om te verhuizen gelegen is in een conflict tussen zijn echtgenote en de buurman. In verband met door hem ondervonden beperkingen aan zijn rug en benen zijn er aanpassingen nodig van de natte cel en het toilet.

1.3. Bij besluit van 24 oktober 2007 heeft het College de aanvraag van een verhuiskostenvergoeding afgewezen, omdat appellant geen belemmeringen ondervindt met betrekking tot het normale gebruik van de woning aan het adres [adres 1] te [naam gemeente]. Het College heeft voorts de aanvraag om vergoeding van de kosten van de woningaanpassing afgewezen, omdat de gevraagde woonvoorzieningen een direct gevolg zijn van een niet-noodzakelijke verhuizing.

1.4. Bij besluit van 15 januari 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 oktober 2007 ongegrond verklaard. Het College heeft zich op het standpunt gesteld dat de klachten van de echtgenote van appellant geen reden zijn om de verhuiskosten te vergoeden, nu niet is gebleken van een verband tussen de ondervonden beperkingen en bouwkundige- of woontechnische kenmerken van de woning. Voorts is er naar de mening van het College geen sprake van een andere belangrijke reden om te verhuizen. Voor wat betreft de afwijzing van de woningaanpassing heeft het College, naast het ontbreken van een noodzaak om te verhuizen, overwogen dat appellant verhuisd is naar een voor hem ongeschikte woning. Voorts heeft het College overwogen dat appellant verhuisd is voordat het College op zijn aanvraag een besluit had genomen. Ten slotte heeft het College te kennen gegeven geen reden te zien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 januari 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat dit besluit - dat is gebaseerd op artikel 15, aanhef en sub a, in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en sub a en sub b, van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Heerlen (hierna: Verordening) - in rechte stand kan houden. Zij heeft daartoe overwogen dat een verhuiskostenvergoeding alleen bedoeld is voor situaties waarin de ondervonden problemen in direct oorzakelijk verband staan met bouwkundige of woontechnische aspecten van de verlaten woning. Omgevingsfactoren als een conflict met een buurman heeft het College, gelet op de toelichting op artikel 20, aanhef en onder a, van de Verordening, bewust niet als redengevend voor een vergoeding aangemerkt. Een conflict met een buurman is naar het oordeel van de rechtbank evenmin aan te merken als een andere belangrijke reden. Voor wat betreft de woningaanpassing heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant verhuisd is naar een ongeschikte woning en dat niet gebleken is dat hij tijdig met het College heeft overlegd om een acceptabele oplossing te vinden.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Aangevoerd is onder meer dat de reden om te verhuizen vooral gelegen was in de klachten die ontstonden bij de echtgenote van appellant ten gevolge van het conflict met de buurman. Zij ontwikkelde klachten van psychosomatische aard. Voorts namen haar epileptische aanvallen toe. Ter toelichting is verwezen naar de verklaring van Notermans, van 26 november 2008. Daarbij is nog opgemerkt dat de echtgenote van appellant begin juli 2007 de echtelijke woning heeft verlaten. Appellant zag zich daarom genoodzaakt op korte termijn een andere woning te vinden. Door bemiddeling van de maatschappelijk werkster, die bovendien overleg heeft gevoerd met de gemeente, kon op korte termijn een nieuwe woning verkregen worden. De aanvraag voor aanpassing van deze woning betreft enkel (nog) het aanbrengen van vier beugels (in het toilet en de natte cel). Deze aanvraag is bovendien vóór de verhuizing ingediend.

3.2. Het College persisteert in hoger beroep bij zijn eerder ingenomen standpunt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 1 van de Wmo bepaalt het volgende:

“1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (...)

g. maatschappelijke ondersteuning (…)

5. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem;

6. het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het onderhouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijk verkeer: (…).”

4.2. Artikel 4 van de Wmo bepaalt het volgende:

“1. Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van de maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:

a. een huishouden te voeren;

b. zich te verplaatsen in en om de woning;

c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

2. Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen voorzien.”

4.3. Artikel 5 van de Wmo luidt als volgt:

“1. De gemeenteraad stelt met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

(…)”.

4.4. Aan artikel 5, eerste lid, van de Wmo is in de gemeente Heerlen uitvoering gegeven door vaststelling van de Verordening. Deze luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 1. Begripsbepalingen.

In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt verstaan onder:

(…)

b. Compensatiebeginsel: de algemene verplichting aan het gemeentebestuur om personen met aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek, door het treffen van voorzieningen, een gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen zo dat zij zo zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke participatie;

c. Beperkingen: moeilijkheden die een persoon heeft met het uitvoeren van activiteiten;

d. Persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en psychosociale problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van activiteiten op het gebied van het voeren van het huishouden, bij het normale gebruik van de woning, bij het verplaatsen in en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden.

(…)

Artikel 13. Vormen van woonvoorzieningen.

De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit:

(…)

d. een financiële tegemoetkoming in de kosten van een woonvoorziening.

Artikel 15. Soorten individuele woonvoorzieningen.

De in artikel 13 onder b., c. en d. genoemde voorzieningen kunnen bestaan uit:

a. een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten;

b. een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;

(…)

Artikel 16. Primaat van verhuizing.

1. Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15 onder a. in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het normale gebruik van de woning belemmeren;

(…)

Artikel 20. Beperkingen.

De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien:

a. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;

b. de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor schriftelijk toestemming is verleend door het college;

c. (…).”

5.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 29 april 2009, LJN BI6832 (in het bijzonder de overwegingen 5.1.1 tot en met 5.1.5) overweegt de Raad dat artikel 16, eerste lid, van de Verordening, de doelgroep voor een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten, beperkt tot personen die als gevolg van een ziekte of gebrek beperkingen ondervinden. Deze beperking is strijdig met de door de wetgever beoogde, in artikel 1, eerste lid onder g, onderdelen 5 en 6 van de Wmo neergelegde verbreding van de doelgroep die in aanmerking kan komen voor maatschappelijke ondersteuning ten opzichte van de doelgroep die in aanmerking kon komen voor voorzieningen ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten, nu deze doelgroep van de Wmo ook personen met een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem omvat. In zoverre is het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van de Verordening in strijd met de Wmo.

5.2. Ingevolge artikel 20, aanhef en onder a, van de Verordening wordt een aanvraag voor een woonvoorziening onder meer geweigerd indien de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond. Naar het oordeel van de Raad doet evenals artikel 16, eerste lid, van de Verordening artikel 20, aanhef en onder a, van de Verordening geen recht aan de door de wetgever beoogde verbreding van de doelgroep. Artikel 20, aanhef onder a, van de Verordening kan namelijk leiden tot weigering van een woonvoorziening indien de noodzaak tot het treffen van een woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing, waartoe op grond van een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem aanleiding bestaat. In zoverre is het bepaalde in artikel 20, aanhef en onder a, van de Verordening eveneens in strijd met de Wmo.

5.3. De Raad stelt met de rechtbank vast dat het College bij de beoordeling van de aanvraag van appellant uitdrukkelijk niet de situatie heeft betrokken dat het treffen van een woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing, waartoe op grond van een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem aanleiding bestaat. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 en 5.2 vloeit voort dat het College bij de beoordeling van de aanvraag van appellant een te beperkt - en in zoverre in strijd met de Wmo zijnd - toetsingskader heeft gehanteerd. De Raad merkt daarbij nog op dat er geen aanleiding bestaat om op voorhand aan te nemen dat de afwijzing van de aanvraag van appellant, indien van het op grond van de Wmo vereiste toetsingskader zou worden uitgegaan, kan worden gedragen door de overige gronden die aan die afwijzing ten grondslag zijn gelegd.

5.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de beslissing op bezwaar van 15 januari 2008 dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat ook de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd waarin het beroep tegen dit besluit ongegrond is verklaard. De Raad zal het College opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

5.5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 15 januari 2008;

Draagt het College op met in achtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

Veroordeelt het College tot vergoeding van proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1.288,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J.J.A. Kooijman en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2010.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J. Waasdorp.

SB