Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO0308

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
14-10-2010
Zaaknummer
09-6959 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering ZW- en WAZO-uitkering. Appellante had een gefingeerd dienstverband en heeft nooit persoonlijk arbeid verricht voor, dan wel loon ontvangen van het uitzendbureau en appellante was om die reden niet verzekerd voor de sociale verzekeringswetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6959 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 november 2009, 08/3073 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 oktober 2010.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Plokker, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2010. Appellante en haar advocaat zijn, zoals aangekondigd, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.F.G. Hermans.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is door het Uwv van 20 september 2002 tot en met 29 november 2002 en van 28 maart 2003 tot en met 23 november 2003 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) en voorts tussentijds van 30 november 2002 tot en met 27 maart 2003 voor een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) in verband met ziekte die was ontstaan tijdens een beweerd dienstverband met uitzendbureau [naam uitzendbureau] te [vestigingsplaats], waarvan [naam eigenaar] eigenaar was.

1.2. Op basis van onderzoeksbevindingen in het kader van het project “Schijn bedriegt” heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante geen werkzaamheden in dienstverband voor [uitzendbureau] heeft verricht. Bij besluiten van 27 november 2007 en 5 december 2007 heeft het Uwv achtereenvolgens de ZW- en de WAZO-uitkering ingetrokken en de betaalde uitkeringen tot een totaalbedrag van € 17.829,-- van appellante teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 31 maart 2008 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten betreffende de ZW- en de WAZO-uitkering ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij het standpunt gehandhaafd dat appellante een gefingeerd dienstverband had en nooit persoonlijk arbeid heeft verricht voor, dan wel loon ontvangen van [uitzendbureau] en dat appellante om die reden niet was verzekerd voor de sociale verzekeringswetten.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 31 maart 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij met name verwezen naar de gegevens uit het frauderapport van het Uwv van 30 oktober 2007 en de daarin opgenomen verklaringen van onder meer de beweerde werkgever [eigenaar].

3. Appellante heeft dit oordeel in hoger beroep bestreden. Zij heeft onder meer aangevoerd dat zij persoonlijk arbeid heeft verricht via [uitzendbureau] in de paprika’s in [naam gemeente]. Zij wijst er op dat zij ter zake een arbeidsovereenkomst heeft getekend en dat zij alle ontvangen loonstroken heeft overgelegd. Naar de mening van appellante is het ter zake ingestelde onderzoek door het Uwv onzorgvuldig geweest, omdat de conclusie dat er sprake was van een gefingeerd dienstverband uitsluitend berust op de verklaring van [eigenaar], de eigenaar van [uitzendbureau], terwijl deze strafrechtelijk wordt vervolgd en er belang bij heeft om de feiten te verdraaien. Appellante had er geen belang bij om een gefingeerd dienstverband aan te gaan omdat zij nog recht had op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) en zich vanuit die situatie ziek had kunnen melden.

4. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat in hoger beroep geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd en dat, zoals reeds overwogen in de aangevallen uitspraak, de bevindingen uit het frauderapport door appellante op geen enkele wijze worden weerlegd. Appellante heeft niet met objectieve, verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat zij destijds werkzaamheden heeft verricht in loondienst van [uitzendbureau]. Dit terwijl zij over het fictieve dienstverband bij [werkgever] en andere dienstverbanden wel meer gegevens heeft aangevoerd. Het Uwv heeft er voorts op gewezen dat appellante aanvankelijk heeft gesteld via [uitzendbureau] in de chrysantenteelt te hebben gewerkt en dit later heeft gewijzigd in werkzaamheden in de paprikateelt. Van een situatie dat appellante zich per 20 september 2002 ziek had kunnen melden vanuit de WW is geen sprake geweest, omdat zij toen geen WW-uitkering ontving.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad stelt voorop, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 1 juli 2010, LJN BN0957, dat het bij besluiten tot intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen als hier aan de orde gaat om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv in het voorliggende geval feiten moet aandragen aan de hand waarvan het aannemelijk is dat er in de relevante periode geen sprake was van een dienstbetrekking van appellante met [uitzendbureau].

5.2. Bij de vaststelling van de feiten die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een dienstbetrekking, komt in beginsel een groot gewicht toe aan processen-verbaal met bevindingen van opsporingsambtenaren en verklaringen van betrokkenen die tegenover bevoegde opsporingsambtenaren zijn afgelegd en ondertekend. Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat de betrokkene ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de sociale verzekeringswetten vervulde, dan ligt het op de weg van betrokkene de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken.

5.3. De Raad is van oordeel dat het fraudeonderzoek van het Uwv zorgvuldig is verricht en dat op grond daarvan voldoende aannemelijk is geworden dat in het geval van appellante in 2002 geen sprake is geweest van een dienstbetrekking met [uitzendbureau]. Het frauderapport van 30 oktober 2007 biedt voldoende basis voor de conclusie dat er bij [uitzendbureau] sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband met appellante. De eigenaar van [uitzendbureau] [naam eigenaar] heeft verklaard dat appellante in 2002 niet voor hem heeft gewerkt. Zoals de rechtbank heeft overwogen heeft [eigenaar] verder verklaard dat hij de namen en sofi-nummers van een aantal vrouwen heeft gebruikt om de uren van bij hem werkzame illegale personen “weg” te schrijven.

5.4. Nadere, concrete gegevens over het werk heeft appellante niet verstrekt in de loop van de hele procedure. De Raad stelt in dit verband vast dat appellante reeds tijdens het verhoor op 10 juli 2007 meerdere malen is geconfronteerd met de verklaringen van [eigenaar], hetgeen voor haar aanleiding had dienen te zijn met tegenbewijs als hiervoor onder 5.2 bedoeld te komen. Ook uit de verklaringen van de echtgenoot van appellante, die op 21 augustus 2007 is verhoord, kan niet worden afgeleid dat appellante direct voorafgaande aan haar ziekmelding per 20 september 2002 in dienstverband arbeid heeft verricht voor [uitzendbureau]. Terecht heeft het Uwv voorts gewezen op de niet onderbouwde standpuntwijziging van appellante met betrekking tot de inhoud van haar werk. Tijdens haar verhoor op 9 juli 2007 heeft appellante namelijk verklaard dat zij in 2002 via [uitzendbureau] in de chrysantenteelt heeft gewerkt, zoals zij dat eerder via andere uitzendbureaus naar haar bewering ook had gedaan, terwijl appellante later het standpunt innam destijds in de paprikateelt te hebben gewerkt.

5.5. Uitgaande van het geheel aan feiten en omstandigheden met betrekking tot de situatie in 2002, waaronder de stellige verklaring van [eigenaar] dat appellante in dat jaar nimmer arbeid voor hem heeft verricht, is er geen aanleiding gewicht toe te kennen aan de door appellante overgelegde afschriften van arbeidsovereenkomsten en loonstrookjes.

5.6. Gelet op hetgeen onder 5.1 tot en met 5.5 is overwogen, heeft het Uwv aannemelijk gemaakt dat appellante niet daadwerkelijk vanaf 1 maart 2002 werkzaam is geweest in dienst van [uitzendbureau] en over de door haar gestelde periode loon heeft ontvangen, voordat zij ingaande 20 september 2002 een ZW-uitkering aanvroeg. De Raad acht zich op basis van de beschikbare informatie voldoende voorgelicht om tot een oordeel te komen. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd brengt de Raad niet tot een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen.

5.7. Van dringende redenen als bedoeld in de artikelen 30a, tweede lid, en 33, vierde lid, van de ZW en 3:16, eerste lid, aanhef en onder b en m, van de WAZO, die tot een ander oordeel dienen te leiden, is niet gebleken. Het Uwv heeft de ZW- en WAZO-uitkering derhalve terecht herzien en teruggevorderd.

5.8. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht tot een proceskostenveroordeling over te gaan.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2010.

(get.) Ch. van Voorst

(get.) M. Mostert

RH