Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO0295

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2010
Datum publicatie
14-10-2010
Zaaknummer
10-265 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een loongerelateerde WGA-uitkering. Medische grondslag van het besluit berust op een zorgvuldig onderzoek. Geen benoeming van een deskundige voor het instellen van een klinisch psychologisch onderzoek. Uitgaande van de juistheid van de aangepaste FML heeft de Raad geen aanknopingspunten de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante medisch niet geschikt te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/265 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 8 december 2009, 09/1137 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J.C. van Buuren, advocaat te Weert, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2010. Namens appellante is verschenen haar gemachtigde mr. Van Buuren. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als medewerkster bloemisterij. Zij is voor dat werk op 24 oktober 2006 uitgevallen vanwege oorklachten en de ziekte van Crohn.

2. Appellante is op 7 juli 2008 in het kader van de beoordeling van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) onderzocht door de arts P. de Beer. In een rapport van 16 juli 2008 heeft De Beer als diagnose gesteld Morbus Crohn, middenoor ontsteking, duizeligheid en draaierigheid. In verband hiermee heeft De Beer beperkingen aanwezig geacht ten aanzien van zware fysieke belasting, duizeligheid gerelateerde activiteiten en stresshantering, die hij heeft vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Bij het arbeidskundig onderzoek heeft de arbeidsdeskundige na functieduiding het verlies aan verdienvermogen berekend op nihil. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 28 oktober 2008 vastgesteld dat appellante met ingang van 21 oktober 2008 geen recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering.

3.1. In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts P.M.H-J. Tjen in zijn rapport van 29 mei 2009 aangegeven dat appellante zich op 24 november 2008 vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet toegenomen arbeidsongeschikt heeft gemeld wegens bijkomende psychische klachten. Tevens heeft Tjen aangegeven dat er tijdens de hoorzitting bij appellante sprake was van een psychisch gecompenseerd toestandsbeeld. Voorts heeft appellante informatie overgelegd waaruit blijkt dat zij qua intelligentieniveau op zwakbegaafd tot randnormaal niveau functioneert waarbij er een duidelijke achterstand is wat betreft technisch lezen en woordbegrip. Tevens is er medische informatie overgelegd wat betreft de draaiduizeligheid en de oorklachten en voorts ten aanzien van de ziekte van Crohn. Hieruit blijkt dat de duizeligheidklachten en evenwichtsstoornissen worden gerelateerd aan een vestibulaire reactie op temperatuur- en drukwisselingen. Met name in het linkeroor bestaat er een forse geleidingsverlies als gevolg van chronische otitis media. Voorts bleek uit de brief van de MDL-arts van 23 april 2009, dat er bij de laatste inwendige onderzoeken geen afwijkingen waren. Tjen heeft in de in de bezwaarprocedure ter beschikking gekomen medische informatie aanleiding gezien om in de FML aanvullende beperkingen op te nemen ten aanzien van de rubrieken sociaal functioneren en fysieke omgevingseisen. Voor wat betreft een urenbeperking heeft Tjen op grond van energetische of preventieve overwegingen of vanuit de beschikbaarheid geen argumenten om daaraan tegemoet te komen. Wel is appellante volgens Tjen aangewezen op regelmaat waardoor wisselende diensten, nachtdiensten en overwerk vermeden dienen te worden.

3.2. Bezwaararbeidsdeskundige P.H.M. Leentjens heeft in verband met de aangepaste FML in zijn rapport van 7 juli 2009 een functie laten vervallen en heeft de schatting gebaseerd op de functies productiemedewerker textiel (sbc-code 272043), wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (sbc-code 267050) en elektronica monteur

(sbc-code 267040). Leentjens heeft de signaleringen toegelicht en heeft het verlies aan verdienvermogen eveneens berekend op nihil. Hierna heeft het Uwv bij besluit van 8 juli 2009 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 oktober 2008 ongegrond verklaard.

4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante gericht tegen het besluit van 8 juli 2009 (hierna: het bestreden besluit), ongegrond verklaard.

4.2. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien de eindconclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in twijfel te trekken. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet gebleken is dat appellante op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten, op de datum in geding niet in staat was te achten om - binnen de voor haar geldende beperkingen vallende - werkzaamheden te verrichten. Met betrekking tot de psychische klachten van appellante heeft de rechtbank opgemerkt dat deze zijn ontstaan na de thans in geding zijnde datum - en uit andere oorzaak - zodat die in deze procedure niet ter beoordeling voorliggen.

4.3. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat de wijze waarop de arbeidskundige beoordeling heeft plaatsgevonden en het eindresultaat daarvan in overeenstemming zijn met het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de anderszins daaraan te stellen eisen.

5. In hoger beroep heeft appellante - kort gezegd - aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Appellante is van mening dat haar beperkingen door de verzekeringsarts zijn onderschat en dat zij hierdoor door de arbeidsdeskundige opnieuw het re-integratietraject is ingestuurd wat geleid heeft tot het mislukken van het

re-integratietraject. Dit heeft bij appellante stress en psychische klachten veroorzaakt. Naar de mening van appellante had een klinisch psychologisch onderzoek dienen plaats te vinden.

6.1. De Raad overweegt als volgt.

6.2.1. In het hoger beroep van appellante heeft de Raad geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit berust op een zorgvuldig onderzoek. Voorzover appellante dit al heeft willen betwisten met haar opmerking in hoger beroep dat de arts De Beer geen verzekeringsarts is, overweegt de Raad dat dit gebrek voldoende is hersteld met het onderzoek door Tjen in de bezwaarfase, dat heeft geleid tot aanpassing van de FML op basis van de beschikbaar gekomen medische informatie. Tevens ziet de Raad geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. De primaire arts heeft met de Morbus Crohn, middenoor ontsteking, duizeligheid en draaierigheid rekening gehouden bij het opstellen van de FML. De bezwaarverzekeringsarts heeft op grond van zijn eigen onderzoeksbevindingen en de ingebrachte medische informatie aanleiding gezien om de door de primaire arts vastgestelde belastbaarheid te herzien. De Raad is niet gebleken dat de bezwaarverzekeringsarts met de klachten van appellante en de in de bezwaarprocedure ter beschikking gekomen medische informatie op onjuiste wijze rekening heeft gehouden. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts in bezwaar een volledige medische heroverweging dient te verrichten die gericht dient te zijn op de gezondheidstoestand van appellante op de datum in geding. Dit brengt mee dat de kort na de datum in geding ontstane psychische klachten, die hebben geleid tot een kennelijk door het Uwv geaccepteerde ziekmelding per 24 november 2008, niet in de beoordeling betrokken kunnen worden. De Raad merkt nog op dat appellante in hoger beroep geen nadere medische informatie heeft overgelegd die een ander licht werpt op haar medische situatie op de datum in geding. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet voor benoeming van een deskundige voor het instellen van een klinisch psychologisch onderzoek.

6.2.2. Met betrekking tot het re-integratietraject wil de Raad het volgende opmerken. Het re-integratietraject is gestart om appellante feitelijk te herplaatsen als bloemiste waarbij gebleken is dat dit niet mogelijk is. De Raad kan zich - evenals de rechtbank - vinden in het standpunt van het Uwv dat appellante niet in staat is haar vroegere functie van bloemiste te verrichten. Daarbij komt het Uwv op basis van de door de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundigen verrichte onderzoeken tot de conclusie dat appellante wel in staat moet worden geacht een aantal als algemeen geaccepteerde arbeid aangemerkte functies te vervullen.

6.3. Uitgaande van de juistheid van de door Tjen aangepaste FML heeft de Raad ook geen aanknopingspunten de door Leentjens uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante medisch niet geschikt te achten.

6.4. De overwegingen 6.2.1 tot en met 6.3 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2010.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

NK