Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO0285

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-09-2010
Datum publicatie
14-10-2010
Zaaknummer
09-1743 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een woonvoorziening in de vorm van een aanpassing van de woning van de ouders. De Raad is van oordeel dat iemand niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats kan hebben. Artikel 19, tweede lid, van de Verordening biedt geen ruimte om het wonen van appellante in een gewone woning op één lijn te stellen met verblijf in een AWBZ-instelling. Geen grond voor het oordeel dat het College met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 37 van de Verordening de gevraagde voorziening had moeten toekennen.

Wetsverwijzingen
Wet maatschappelijke ondersteuning
Wet maatschappelijke ondersteuning 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010/228
USZ 2010/353
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1743 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 10 maart 2009, 08/939 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Drechterland (hierna: College)

Datum uitspraak: 22 september 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [naam vader] hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2010. Voor appellante is verschenen haar vader, [naam vader]. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.M. Peters, juridisch adviseur bij Stichting Stimulansz.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft op 7 augustus 2007 bij het College een aanvraag ingdiend op grond van het bepaalde bij of krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ingediend. Zij heeft gevraagd om een woonvoorziening in de vorm van een aanpassing van de woning van haar ouders.

1.2. Bij besluit van 20 september 2007 heeft het College deze aanvraag afgewezen.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 12 februari 2008 heeft het College het besluit van 20 september 2007 gehandhaafd. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat het geen compensatieverplichting als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wmo jegens appellante heeft, omdat zij geen ingezetene is van de gemeente Drechterland, maar haar hoofdverblijf in de gemeente Enkhuizen heeft. Evenmin kan de gevraagde woonvoorziening op grond van artikel 19, tweede lid, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Drechterland 2007 (hierna: Verordening) worden getroffen, aangezien appellante haar hoofdverblijf niet in een AWBZ-instelling heeft. Het College heeft verder geen aanleiding gezien om de gevraagde woonvoorziening met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 37 van de Verordening toe te kennen, aangezien reeds in 2003 het maximale bedrag voor het bezoekbaar maken van de woning van haar ouders is toegekend en daarmee al meer voorzieningen zijn verstrekt dan waarop op grond van de Verordening recht bestaat.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 12 februari 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wmo treft het college van burgemeester en wethouders, ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4º, 5º en 6º, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:

a. een huishouden te voeren;

b. zich te verplaatsen in en om de woning;

c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

Artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Verordening, zoals die op 1 januari 2007 van kracht is geworden, luidt als volgt:

“Geen voorziening wordt toegekend indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente Drechterland.”

Artikel 19 van bedoelde Verordening, voor over van belang, luidt als volgt:

“1. Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen.

2. In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling.

3. Een woonvoorziening zoals bedoeld in het tweede lid kan alleen worden verstrekt indien de woning in de gemeente Drechterland staat.”

Artikel 37 van de Verordening luidt als volgt:

“Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.”

4.2. Naar het oordeel van de Raad brengt een redelijke uitleg van artikel 4, eerste lid, van de Wmo mee dat de aldaar bedoelde compensatieverplichting van het college van burgemeester en wethouders uitsluitend bestaat jegens degenen die in de betreffende gemeente woonplaats hebben. In overeenstemming daarmee is in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Verordening expliciet bepaald dat geen voorziening wordt toegekend indien de aanvrager niet in de gemeente Drechterland woonachtig is.

4.3. Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat iemand niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats kan hebben. De vraag in welke gemeente de belanghebbende woonplaats heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Niet in geschil is dat appellante in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven op een adres in Enkhuizen en dat appellante daar meestentijds verblijft. Dit betekent dat appellante woonplaats heeft in Enkhuizen. De omstandigheid dat appellante gedurende de weekenden bij haar ouders in Drechterland verblijft, betekent, anders dan appellante aanvoert, niet dat zij woonplaats heeft in Drechterland. Het College heeft dan ook terecht de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat zij geen woonplaats heeft in Drechterland.

4.4. Het College heeft tevens beoordeeld of de gevraagde voorziening met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Verordening kan worden verstrekt. De Raad laat in het midden of die bepaling de mogelijkheid biedt om in afwijking van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Verordening een woonvoorziening te treffen voor het bezoekbaar maken van een woonruimte indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente Drechterland. De Raad stelt verder vast dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante niet haar hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling, zodat reeds op die grond de gevraagde voorziening niet met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wmo aan appellante kan worden toegekend. De Raad is voorts van oordeel dat artikel 19, tweede lid, van de Verordening geen ruimte biedt om het wonen van appellante in een gewone woning op één lijn te stellen met verblijf in een AWBZ-instelling. De Raad vindt in de Wmo geen aanknopingspunten om daar anders over te denken dan onder de Wet voorzieningen gehandicapten (CRvB 18 april 2007, LJN BA5310). In hetgeen appellante hieromtrent in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.

4.5. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad, evenals de rechtbank, evenmin een grond voor het oordeel dat het College met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 37 van de Verordening de gevraagde voorziening had moeten toekennen. Daarbij mocht het College ook naar het oordeel van de Raad betrekken dat in 2003 het volgens de destijds geldende verordening maximaal mogelijke bedrag aan appellante is toegekend voor de aanpassing van de woning van haar ouders. Dat appellante, zoals zij stelt, sindsdien ernstiger gehandicapt is geraakt, doet daar niet aan af.

4.6. Appellante heeft verder aangevoerd dat haar ouders woonplaats hebben in Drechterland, dat zij als mantelzorgers zijn aan te merken en dat op het College ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wmo ook ten aanzien van mantelzorgers een compensatieplicht rust. De Raad stelt naar aanleiding hiervan vast dat de aanvraag van 7 augustus 2007 is gedaan door appellante en dat het College naar aanleiding van die aanvraag een besluit heeft genomen. Een aanvraag van de ouders van appellante om in hun hoedanigheid van mantelzorgers door het College in aanmerking te worden gebracht voor een voorziening op grond van het bepaalde bij of krachtens de Wmo en een besluit op een zodanige aanvraag liggen niet voor. Dit betekent dat de door appellante opgeworpen vraag of haar ouders als mantelzorgers jegens het College aanspraak kunnen maken op voorzieningen op grond van het bepaalde bij of krachtens de Wmo geen bespreking behoeft omdat deze vraag de omvang van het geding te buiten gaat.

4.7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep van appellante niet. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J.J.A. Kooijman en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2010.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J. Waasdorp.

IJ