Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2010:BO0273

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
14-10-2010
Zaaknummer
09-1468 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om vergoeding van schade vanwege de zeer trage afhandeling van de aanvraag inzake de WW dan wel de ZW. De vergoeding van de door appellant geclaimde (on)kosten stelt de Raad in navolging van de rechtbank vast dat schadevergoeding verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, ingevolge artikel 6:119 van het BW bestaat uit de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Geen sprake van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van zijn persoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1468 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 16 februari 2009, 07/1927 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 oktober 2010

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft B.J.H. Peters, vader van appellant, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn vader. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.T. Laaracker.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 27 juli 2007 heeft het Uwv het verzoek van appellant om vergoeding van zijn schade die hij vanwege de zeer trage afhandeling van zijn aanvraag inzake de Werkeloosheidswet (WW) dan wel de Ziektewet (ZW) heeft geleden, afgewezen op de grond dat over de uitbetaalde ZW-uitkering inmiddels wettelijke rente is vergoed waardoor aan de door appellant geclaimde schade volledig is tegemoetgekomen.

2. Bij besluit van 18 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen het besluit van 27 juli 2007 ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van deze Raad heeft het Uwv het standpunt gehandhaafd dat met de vergoeding van wettelijke rente volledig is voldaan aan de verplichting om vermogenschade te vergoeden die het gevolg is van vertraging in de uitbetaling van een uitkering. Met betrekking tot de vergoeding van immateriële schade heeft het Uwv onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ook de afwijzing op dit punt gehandhaafd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het Uwv met betrekking tot de gestelde vermogenschade en gelet op het bepaalde in artikel 6:119, eerste lid, van het BW terecht niet meer heeft vergoed dan de verschuldigde wettelijke rente. Inzake de gestelde immateriële schade heeft de rechtbank onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 6:106 van het BW en de ter zake geldende vaste jurisprudentie van deze Raad geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt, bijvoorbeeld door het overleggen van een medische verklaring, dat hij ten gevolge van de vertraging in de uitbetaling van zijn uitkering zodanig ernstig psychisch heeft geleden dat sprake zou zijn van een aantasting in zijn persoon zoals wordt bedoeld in artikel 6:106 van het BW. Wat betreft de stelling van appellant dat hem is toegezegd dat alle door hem geleden schade door het Uwv zou worden vergoed, was de rechtbank van oordeel dat haar van een dergelijke toezegging niet is gebleken.

4. Appellant heeft zich niet met die uitspraak kunnen verenigen. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Wat betreft de vergoeding van de door appellant geclaimde (on)kosten stelt de Raad in navolging van de rechtbank vast dat schadevergoeding verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, ingevolge artikel 6:119 van het BW bestaat uit de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Nu verder van een onrechtmatig besluit niet is gebleken, is er naar het oordeel van de Raad ook anderszins geen grond voor vergoeding van meerbedoelde (on)kosten.

4.2. Voor zover appellant vergoeding van immateriële schade vordert, verwijst de Raad eveneens naar zijn jurisprudentie - onder meer de uitspraak van 6 juni 1997, LJN ZB6223 - waarin is vastgesteld dat de wetgever met die bepaling het oog heeft gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer dan wel op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene. Hoewel de Raad niet onaannemelijk acht dat bij appellant sprake zal zijn geweest van meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door de besluitvorming van het Uwv, is appellant er - ook naar het oordeel van de Raad - niet in geslaagd om met (een) medische verklaring(en) aannemelijk te maken dat hij daardoor zodanig heeft geleden dat sprake was van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van zijn persoon in de zin van artikel 6:106 van het BW.

4.3. Ter voorlichting van appellant en voor zover hij het Uwv verwijt onzorgvuldig te hebben gehandeld, op grond waarvan hij vervolgens aanspraak maakt op schadevergoeding, wijst de Raad erop dat in het bestuursrecht schade ten gevolge van feitelijk handelen en nalaten niet voor vergoeding in aanmerking kan komen. Voor schade die voortvloeit uit een feitelijk handelen of nalaten van het Uwv geldt dat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen bezwaar of beroep mogelijk is.

4.4. Tot slot overweegt de Raad dat hij zich niet kan vinden in de stelling van appellant dat hij door de uitlatingen van de klachtambassadeurs, [G.] en [v. M.], erop mocht vertrouwen dat alle schade door het Uwv zou worden vergoed. Uit de voorhanden zijnde gegevens is de Raad niet gebleken van een bevoegdelijk gedane, schriftelijke, uitdrukkelijke en eenduidige toezegging op grond waarvan appellants schade moet worden vergoed. Het standpunt van appellant dat [G.] heeft gezegd dat hij zijn declaratie kon zenden aan het Uwv in Heerlen en [v. M.] bij het declaratieoverzicht nog een extra post van € 50,- voor gemaakte telefoonkosten heeft bijgeschreven, is daarvoor onvoldoende.

5. Uit hetgeen hierboven is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2010.

(get.) Ch. van Voorst

(get.) M. Mostert

RH